Als je een mooi uitzicht hebt, over een weiland, een akkerland, een strand of een wadplaat, als je ongehinderd kunt kijken tot aan de horizon, dan komt er een zacht geluksgevoel over je heen. Dat gevoel wordt nog versterkt als de ruimte tussen jou en de horizon gemarkeerd is met een aantal rustpunten, bijvoorbeeld koeien in het weiland die niet heel dicht bij je staan maar ook niet ver weg aan de horizon. Als de afstand tussen die rustpunten regelmatig is, bijvoorbeeld een rij knotwilgen langs een sloot, de eerste een flinke boom met takken die een groot deel van je gezichtsveld beslaat, de tweede al wat kleiner en de laatste een piepklein boompje bijna aan de horizon, dan kun je je geluk niet op.

Uit deze ervaring blijkt duidelijk dat de bodem belijnd is. Er lopen lijnen van de plaats waar je staat naar de horizon. Het rare is dat als die lijnen evenwijdig zijn, ze allemaal in één punt samenkomen. Als er aan de overkant van de sloot ook een rij knotwilgen staat dan lopen de twee bomenrijen naar elkaar toe, totdat de allerkleinste knotwilgjes aan de horizon van links en rechts samenvallen. Het punt waar alle lijnen samenkomen heet het verdwijnpunt. Het is een magisch punt, als kwam het uit Bermuda, waar alles naar toe gezogen wordt en waarin alles verdwijnt.

Vroeger was ik mateloos geïnteresseerd in deze zaken. Ik kocht het boek “Perspectief en projectie” en ik studeerde daar stiekem in. Later heb ik het aan de rommelmarkt gegeven. Zonde! Anders had ik het voor deze column kunnen gebruiken.

Mijn interesse voor de belijning van de bodem is terug te voeren op een ervaring op de kleuterschool (denk ik). Een van de allereerste herinneringen die ik kan oproepen is de dag dat ik als kleuter op het schoolplein liep. Dat schoolplein was enorm groot en je kon het niet in een keer overzien. Het was betegeld met grijze betontegels, maar er waren ook rode tegels gebruikt. Die rode tegels lagen in één lijn achter elkaar. Ik kon niet overzien waar de baan rode tegels naar toe liep, want het schoolplein stond vol met kinderen, maar ik besloot de tegels te volgen; ik liep over de rode lijn en keek goed naar beneden zodat ik geen tegels miste. Af en toe ging ik een haakse bocht om. Uiteindelijk kwam ik weer op dezelfde plek uit. Dat was mijn grote ontdekking als kleuter.

Je zou denken dat je allereerste herinneringen gaan over iets dat echt belangrijk was, bijvoorbeeld de moederborst of de hand van je vader, maar bij mij is dat niet zo. Later, op het gymnasium, zette die liefde voor lijnen zich voort. Het mooiste vak dat ik kreeg was stereometrie. Een kubus wordt doorsneden door een schuin vlak en vanuit één van de hoekpunten laat men een loodlijn neer op het vlak, hoe groot is dat lijnstuk dan? Ik kon er geen genoeg van krijgen. Ik weet niet of het vak stereometrie nog bestaat; ik hoor er nooit meer iemand over.

Vanuit die preoccupatie met lijnen kijk ik ook naar de lijnen in het landschap. Ik kan helemaal warm worden van het verdwijnpunt. Ik weet dat het niet bestaat, want als je er naar toe loopt dan schuift het voor je uit als een pot met goud aan de voet van een regenboog. Toch leg je het verdwijnpunt aan de horizon vast als een van de eerste punten in een tekening van het landschap. Al die lijnen over de bodem. Misschien ben ik daarom wel bodemecoloog geworden.

Facebook Comments