Een kind dat buiten speelt wordt vies. Toen ik kind was kwam ik altijd met vuile handen thuis, want wij speelden altijd buiten. Alleen mijn rechter duim was altijd schoon, want daar duimde ik op. Geregeld was ik pikzwart rond mijn mond en soms lagen de regenwormen levend in de WC. Hoe die beesten het voor elkaar kregen om het darmkanaal van een mens levend te passeren is mij nog altijd een raadsel. Pas toen ik 12 jaar was heb ik dat duimzuigen afgeleerd en werd mijn duim net zo vies als mijn andere vingers. Toch moet ik in die jaren heel wat grond naar binnen hebben gekregen. Waarschijnlijk is die grondinname nog steeds aan het gehalte zware metalen in mijn beenderen of het gehalte dioxines in mijn buikvet af te lezen.

Het eten van grond noemt men geofagie. In de moderne maatschappij is het helemaal uitgebannen. Alleen zwangere vrouwen schijnen soms een onbedwingbare behoefte aan mineralen te hebben en krabben dan het kalk van de muur om het in hun mond te stoppen. De kalk zou helpen tegen zwangerschapsmisselijkheid. Ik ben zelf nooit zwanger geweest dus ik kan me daar niet zo’n goede voorstelling van maken. Ook onder primitieve volkeren komt het eten van grond voor, als onderdeel van hun traditie. In Haïti heeft men er zelfs een lekkernij van gemaakt: de bonbon de terre, een koekje van gedroogde en gebakken grond.

Met al die geofage kinderen, zwangere vrouwen en primitieve volkeren die grond eten kunnen we dus de bodem gevoeglijk als eetbaar beschouwen. Maar de toxicologen hebben daar een stokje voor gestoken. Het eten van grond is een kritieke blootstellingsroute bij de risicobeoordeling van bodemverontreiniging. In de jaren negentig heeft het RIVM maximaal aanvaardbare concentraties voor een groot aantal stoffen in de bodem afgeleid. Ze hadden toen allerlei routes bedacht waarlangs giftige stoffen in de bodem de mens kunnen bereiken. De mooiste vond ik het inademen van waterdamp onder de douche. Lipofiele stoffen kunnen vanuit de bodem doordringen in een waterleiding, vooral als die van kunststof gemaakt is; dan komen ze in het drinkwater terecht. Als je zoals ik lekker lang onder een goede hete douche staat met de deur dicht wil je niet weten hoeveel kleine waterdruppeltjes (aërosolen) je inademt. Daar zitten dus die lipofiele stoffen in die dan via je longen opgenomen worden. Ik had het zelf niet kunnen verzinnen, daar moet je Reinier van den Berg voor heten, maar het zou mij niet verbazen als dit inderdaad een reëel scenario is.

Ook het eten van grond door kinderen is een kritieke route. Joop van Wijnen heeft daar ooit een prachtig onderzoek naar gedaan, volgens mij uniek in de wereld. Hij onderzocht aan de hand van de concentraties zeldzame aardmetalen in de fecaliën van kinderen hoeveel grond ze aten. Hij deed dat bij kinderen die buiten speelden op een camping en op een kinderdagverblijf. Het bleek dat het merendeel van de kinderen minder dan 25 mg grond per dag at, maar er waren ook smeerpoetsen bij die meer dan 350 mg per dag aten. Juist die smeerpoetsen wil je natuurlijk ook beschermen, dus de normstelling voor gevaarlijke stoffen in de bodem zoals dioxines en zware metalen is gedeeltelijk afgestemd op de bescherming van grondetende smeerpoetsen.

Je mag er dus van uit gaan dat kinderen tegenwoordig rustig grond kunnen eten want in de risicobeoordeling is rekening gehouden met een dagelijkse inname van 350 mg grond. Maar wat te denken van mijn eigen geofage verleden? Ik ben bang dat mijn grondinname in de grammen per dag liep in plaats van milligrammen. Dus mocht ik ooit een beetje dom uit de hoek komen: neem het me niet kwalijk, het komt door al dat lood dat ik als kind naar binnen heb gekregen. De bodem is eetbaar, maar de maaltijd heeft zijn prijs.

Facebook Comments