Als jongen zat ik vaak met mijn handen in de bodem omdat ik hielp bij het rooien van de aardappels. Mijn vader legde de kisten uit en mijn oom reed met een 12 pk Agria over de ruggen en bracht met een lift de aardappels tevoorschijn. Ideale prolate omwentelingsellipsoïden die zo lekker in je hand liggen!

Soms kwam je een ouwe moer tegen. Zo noemden we de half verrotte overblijfselen van de oorspronkelijke pootaardappel. Maar het ging om de stoelen met jonge aardappels. Die pakte je op en gooide ze, niet al te hard, in de kist die naast je stond. Dan trok je de kist een stukje naar je toe zodat je bij de volgende regel niet te ver hoefde te rekken.

Meestal was het mooi weer. De zon scheen de hele dag op je kop en je had weinig om aan te denken behalve aan het einde van de regel, ver weg aan de andere kant van de kavel. Die situatie had een behoorlijk stimulerend effect op de testosteronproductie, maar ja, de meisjes waren nog onbereikbaar op die leeftijd.

Door al dat rooien kreeg ik een gevoel bij de bodem. Elke bodem voelt anders aan. Bij het aardappelrooien was de bodem altijd grijs en scherp. De polderklei wordt grijs bij het opdrogen en de droge kluiten doen zeer aan je handen. Als je geen handschoenen gebruikte waren je handen aan het eind van de dag geschuurd en gekerfd als geschrapte aardappelen.

Hoe kan de bodem zo scherp zijn? Ik was eens op een excursie met een bodemkundige die een uiteenzetting hield in het veld. Hij gebruikte allerlei woorden die ik niet kende en heel grappig klonken (…“montmorilloniet is een smectiet, wist je dat niet”…). Ik moest denken aan een vitrinekast die bij ons in de faculteit stond, in de gang van de geologen. Er stond een bordje bij waarop te lezen was: “De pegmatiet van Varutrask”. Ik had geen flauw idee wat daarmee bedoeld werd. Iedere keer als ik daar langs liep nam ik me voor om de kast eens goed te bestuderen en uit te vinden wat eigenlijk een pegmatiet is, maar ik ben er nooit achter gekomen. Misschien iets met prolate omwentelingsellipsoïden? Steeds liep ik er gniffelend voorbij, totdat de vitrine opeens verdwenen was. Misschien was de verantwoordelijke geoloog met pensioen gegaan.

Bij de excursie pakte de bodemkundige wat grond in zijn handen en wreef dat zachtjes fijn. Hij nam zelfs een beetje grond in zijn mond om te proeven; dat hoorde kennelijk bij het determineren van de grondsoort. Maar hij had het niet over de scherpte van de bodem. Ik begreep wel dat kleimineralen op microscopisch niveau eruit zien als kleine plaatjes. Misschien dat die plaatjes zich bij het opdrogen allemaal in dezelfde richting oriënteren. Wat je voelt met je handen is dan eigenlijk de microscopische ordening van de kleimineralen.

Ik ben blij dat ik een geschiedenis heb als aardappelrooier want het heeft me een gevoel gegeven voor de bodem. Ik weet nu dat de droge bodem een scherp contrast vormt met de mooie ronde aardappelen die erin groeien. En een scherpe bodem is goed om te voorkomen dat bij zonnig weer je gedachten teveel afdwalen.

Facebook Comments