Een belangrijk aspect van het oppervlak van de bodem is de kluitigheid. Ik weet niet of dat een goed Nederlands woord is, maar iedereen begrijpt gelijk wat ik bedoel. Of er kluiten liggen, hoe groot en hoe hard die zijn, dat is iets dat onmiddellijk opvalt, vooral bij een kale kleibodem waar de aardappelen net gerooid zijn.

Toen ik nog een schooljongen was wist ik al hoe belangrijk de kluitigheid van een bodem is. Een schooljongen heeft kluiten vooral nodig om mee te gooien. Een bodem met grote zware kluiten werkt niet lekker. Ook een bodem met losse grond is vervelend. Kluiten moeten ongeveer 10 cm in doorsnee zijn zodat ze lekker in de hand liggen. Toen ik jong was heb ik heel wat kluiten gegooid, van de ene kant van het aardappelveld naar de andere kant. Toch geloof ik niet dat ik veel grond verplaatst heb.

Sommige jongens waren uit de kluiten gewassen, zei men. Ik dacht dat ze bedoelden dat je van kluiten gooien groot werd. Je was geen jongen als je niet met kluiten gooide. Maar de beschikbaarheid van kluiten is nu danig verminderd. Ik zie tegenwoordig nooit meer jongens met kluiten gooien. Toch groeien ze nog. Kennelijk kun je ook wassen zonder kluiten.

Ook voor het rooien van de aardappelen is de kluitigheid van belang. Ik stond als jongen bij het aardappelrooien op een machine achter de trekker. De aardappelen werden via een transportband aangevoerd en wij moesten de kluiten eruit zoeken. Vooral de kluiten die even groot zijn als aardappelen zijn vervelend, want die worden er niet uitgezeefd en moeten dus met de hand verwijderd worden. Maar je kon er wel lekker mee gooien.

Bij de lessen bodemkunde hebben we geleerd dat de bodem een korrelstructuur heeft, een kruimelstructuur en een kluitstructuur. Maar in het feitelijke bodemonderzoek wordt de kluitigheid nooit bepaald. Je kunt in een bodemonderzoek de korrelstructuur bepalen zodat je alles weet over het gehalte lutum en silt, maar ik heb nog nooit een ingenieursbedrijf gezien dat adverteerde met kluitigheidsmetingen. De kluit wordt ondergewaardeerd, belazerd misschien wel!

De kluitigheid van de bodem is ook van belang bij het wandelen over een akker. Als je over een stuk land loopt met grote kluiten kun je struikelen of je enkel verstuiken. Als je met een licht tweewielig trekkertje rijdt danst die heen en weer, als een schip over de baren. Die kluitigheid hangt niet alleen af van de laatste landbewerking, het is ook een eigenschap van de grond zelf.

Toen ik een schooljongen was had mijn vader een stuk land nogal ver in de polder waar je alleen met een schuit kon komen. In het dialect van de streek waar ik opgroeide heette zo’n stuk land een “bouw”. Die verre bouw noemden we altijd de “hobbelbouw”, omdat het daar altijd zo hobbelig was. Er lagen altijd grote kluiten die zich niks aantrokken van de ploeg of de frees; ze hoorden gewoon bij dat stuk land. De hobbelbouw was altijd hobbelig, nu nog steeds waarschijnlijk.

Is er in de bodemkunde een theorie van de kluitigheid? Ik heb er nog nooit van gehoord. Is dat niet raar?

Facebook Comments