Mijn eerste kennismaking met de bodem vond plaats toen ik als kind een kuiltje in de grond maakte en daar water in deed. Je roerde daar in en zodoende kreeg je wat wij noemden een “prutje”. Alle kinderen doen dat, een prutje maken. Bij mij is die neiging blijven bestaan, want ik zet nog altijd koffie met de hand. Het is ongeveer hetzelfde: je giet water uit de fluitketel op een filter met koffie en dan krijg je een prutje.

Nu weet iedereen dat je bij het maken van filterkoffie moet opletten dat de koffie niet dichtslempt. Je moet water opgieten met een flinke straal en je moet ervoor zorgen dat de koffie in het filter steeds in suspensie blijft door herhaaldelijk kleine beetjes water bij te gieten. Ik ben daar een kei in want ik weet van vroeger hoe je prutjes moet maken. Als je het water helemaal door laat zakken, zodat het oppervlakte droog komt te staan, en je giet vervolgens nieuw water op, wil dat nieuwe water niet goed meer mengen met de natte koffie.

Dat dichtslaan van de natte koffie noemde ik altijd verslempen. Het is voor mij een zo bekend verschijnsel dat ik er nooit bij na gedacht heb of die bewoording wel goed was. Maar toen ik een keer een lezing hoorde op een bodemkundecongres drong het tot me door dat het begrip ook in de bodemkunde gebruikt wordt. Ik begreep dat het verslempen van een bodem het gevolg is van een sorteerproces. Bij langdurige regenval gaan de fijne kleideeltjes als het ware drijven en concentreren zich aan het oppervlakte. Als het water wegzakt vormen ze daar een korstje, dat slecht doorlatend is voor lucht en water. Het gevolg is dat het regenwater vervolgens slecht in de bodem kan doordringen en dat er gemakkelijk plassen ontstaan: de bodem is verslempt. De neiging om dicht te slempen verschilt per bodem en er zijn zelfs slempgevoelige bodems aan te wijzen. Dit alles is gesneden koek voor een bodemkundige, maar voor een eenvoudig bodembioloog als ik was het een kennismaking met een interessante nieuwe wereld.

Je weet natuurlijk dat bodems bestaan uit deeltjes van verschillende grootte en dat de korrelgrootteverdeling in belangrijke mate kenmerkend is voor de grondsoort. Maar dat die deeltjes zich ook kunnen ontmengen, waardoor de bodem nieuwe eigenschappen krijgt vanwege de fysieke scheiding tussen bepaalde categorieën deeltjes, daar sta je niet bij stil.

Behalve van het koffiefilter kende ik het slempen van de jongelui die zich overgeven aan drank. Het valt in de categorie smullen, brassen, en zwelgen, waarbij slempen volgens het woordenboek ergens tussen brassen en zwelgen ligt. Slempen is iets positiever dan zwelgen maar negatiever dan brassen. Verder bleek me dat er nog een derde vorm van slempen bestaat: het met cement bestrijken van een gevel. Als het voegwerk en de bakstenen oud worden kun je er een dunne laag cement overheen smeren, waardoor de gevel een nieuwe en strakke uitstraling krijgt. Het is eigenlijk een soort stukadoren, maar dan aan de buitenkant.

De vraag is nu: is er een relatie tussen het slempen van de koffie, het slempen van bier, het slempen van een gevel en het verslempen van een bodem? Het zou me niet verbazen als slempen oorspronkelijk sloeg op het maken van een mengsel van water en grond, mijn favoriete bezigheid als kind. Mijn prutje van vroeger lijkt best een beetje op cement. Later heeft iemand de relatie met zuipen gelegd, misschien omdat het smeren van de keel geassocieerd werd met het smeren van cement. Dus uiteindelijk was het verslempen van de bodem waarover ik hoorde op het bodemkundecongres, helemaal niet zo’n rare term: ik wist het al, ik moest alleen terugdenken aan vroeger.

Facebook Comments