In het duingebied van Schoorl zijn grote delen van de bodem zwartgeblakerd. In Californië en Griekenland is het nog veel erger. Bij een bosbrand maken mensen zich uiteraard als eerste zorgen om huis en haard. Maar hoe vergaat het de massa ongewervelde dieren in de bodem? Vermoedelijk hebben er miljoenen het leven gelaten en hun lijkjes of wat daar van over is zijn nu onderdeel van de aslaag die de bodem van het duingebied bedekt. Wat overblijft is één groot kerkhof, zou je denken. Maar is dat wel zo?

De beste manier om als bodemdier een bosbrand te overleven is naar beneden te kruipen. De strooisellaag en ook de bodem zelf hebben een heel goede warmte-isolatie. In het televisieprogramma Hoe?Zo! liet Bart Peters kortgeleden nog eens zien hoe sterk dat effect is. Arie “burning man” Boomsma moest in een gat in de grond kruipen terwijl boven hem een berkenbosje met een vlammenwerper in de fik gezet werd. Ondanks een afstand van slechts 3 cm tussen het vuur en Arie’s rug zei hij niks te voelen van de hitte.

Toen ik die televisie-uitzending zag moest ik denken aan het boek “Das Klima der bodennahen Luftschicht” van Rudolf Geiger, dat ik jaren geleden eens vond in de bibliotheek. Het is een klassiek leerboek over microklimatologie uit 1927, dat nog steeds herdrukt schijnt te worden. Het is in het Engels vertaald als “The climate near the ground“, maar wat een armzalige titel is dat vergeleken met het Duitse origineel! Als er een wedstrijd zou zijn in mooiste boektitels zou bij mij Das Klima der bodennahen Luftschicht hoge ogen gooien. Het enige dat in de buurt komt  is “Das Leben im Wassertropfen“.

Uit het boek van Geiger heb ik onthouden dat er over de bovenste centimeters van de bodem  een extreem steile temperatuurgradiënt kan heersen. Terwijl de luchtlaag 1 mm boven de bodem bij zonnig weer kan opwarmen tot boven de 60 ºC (als wolfspin of loopkever heb je daar rekening mee te houden!), kan het een paar mm onder de grond gewoon 15 ºC zijn.

Dus voor een bodemdier is het zaak om bij een bosbrand zo snel mogelijk de grond in te kruipen. Gelukkig is die reactie biologisch aangeboren. Als bodemdier wil je graag aan het oppervlakte komen zolang je droogtetolerantie dat toestaat omdat er boven meer voedsel is en meer ruimte om een partner te vinden. Maar zodra er onraad dreigt heeft elk bodemdier de neiging om diep weg te kruipen.

Ik ken die respons goed, want daar maken we gebruik van bij bodemextracties. Een ecoloog die de bodemfauna inventariseert plaatst een bodemmonster in een zogenaamd Tullgren-apparaat waarbij de lucht boven de monsters verwarmd wordt tot 35 ºC. Aan de onderkant wordt het monster gekoeld en op 5 ºC gehouden. De hele levende have, voorzover die kan lopen of kruipen, scharrelt daardoor naar beneden en valt vervolgens door een gaas in de bodem van de monsterhouder in een trechter die eindigt in een buisje met fixatief. Dit principe, beschreven door de Zweedse spinnendeskundige Albert Tullgren in 1918, wordt in alle bodemlaboratoria gebruikt.

De bodemdieren kennende is mijn verwachting dus dat velen de bosbrand overleefd hebben en dat het spoedig weer zal krioelen van de kleine rottertjes in de Schoorlse duinen.

Facebook Comments