Ik begin deze column met een gedicht:

Het heet:
Evolutie van de middenoorbeentjes

Met voorbedachten rade
Kregen de zoogdieren
Een oor vol met kaak
Van hun voorouders

Het gedicht is van de Amerikaanse vlinderdeskundige John Burns. Of de man nog leeft weet ik niet; ik ken hem alleen als collega van Stephen J. Gould, een Amerikaanse evolutiebioloog en paleontoloog, die ik adoreer! Gould schreef talloze essays, in zo’n mooie stijl, zo vol met spitsheid en deskundigheid, niet alleen van de biologie, maar ook van literatuur, muziek en bouwkunst, dat je er jaloers van wordt.

Het gedicht van Burns komt uit een artikel, gepubliceerd in 1990 in het tijdschrift Natural History. Hij beschrijft daarin het wonderlijke verhaal van de evolutie van de middenoorbeentjes.

U weet waarschijnlijk dat in ons middenoor drie gehoorbeentjes zitten, de stijgbeugel, het aambeeld en de hamer. De biologen kennen deze beentjes als stapes, incus en malleus. (malleus moet u even onthouden). De botjes, hoe klein ook, zijn erg belangrijk, want ze versterken de trillingen van het trommelvlies en brengen die over op het gehoororgaan.

Ik zeg kleine oorbeentjes en dat is terecht, ze zijn erg klein. Ik had jaren geleden een vrouwelijke collega die aan haar oor geopereerd waarbij de gehoorbeentjes verwijderd werden. Ik bezocht haar na de operatie in het ziekenhuis. De chirurg had haar gehoorbeentjes in een schoteltje op het nachtkastje achtergelaten. Man, wat waren die botjes klein!

Maar terug naar de biologie.

Alle biologen krijgen in het eerste jaar van hun studie te horen dat de drie gehoorbeentjes die alle zoogdieren, hebben er twee, het aambeeld en de hamer, afgeleid zijn van het kaakgewricht van de reptielen. Reptielen hebben maar één gehoorbeentje, overeenkomend met onze stijgbeugel. Tijdens de evolutie van reptielen naar zoogdieren is het kaakgewricht als het ware naar binnen verplaatst en de botjes die bij de reptielen het kaakgewricht vormden werden gevoegd bij de stijgbeugel, en kregen een nieuw leven als gehoorbeentjes. De zoogdieren hebben vervolgens een nieuw kaakgewricht gemaakt.

Ik vind dit een van de meest wonderlijke verhalen uit de evolutiebiologie. Elk jaar vertel ik het weer aan de eerstejaars biologen, maar ik houd niet op me erover te verbazen. Het is zeer goed gedocumenteerd, al in de negentiende eeuw werd het beschreven, er zijn talloze fossiele reptielen gevonden die mooie overgangsstadia vormen, en bovendien: de verhuizing van kaakbeentjes naar het middenoor treedt ook op tijdens onze eigen embryonale ontwikkeling. Het klopt allemaal als een bus.

Dit hele verhaal wordt ook prachtig, in bloemrijke stijl, beschreven door Stephen J. Gould,. Dat essay eindigt met het gedicht van John Burns, waarmee ik begon. Ik zei:

Met voorbedachten rade
Kregen de zoogdieren
Een oor vol met kaak

Maar in het Engels staat er:

With malleus aforethought mammals got an earful of their ancestor’s jaw.

Er zit een onvertaalbare woordspeling in deze zin. Namelijk, “malleus aforethought”  slaat nergens op. “malleus” is natuurlijk de hamer, het derde gehoorbeentje. Maar “malleus aforethought” kun je ook uitspreken als “malice aforethought”, wat betekent: met voorbedachten rade.

Vandaar mijn vertaling van het gedicht:

Met voorbedachten rade

Maar het punt is: het was natuurlijk niet met voorbedachten rade. Zo werkt evolutie namelijk niet. Evolutie werkt als een blinde kettellapper. Met wat er is wordt doorgeknutseld. Evolutie werkt juist niet naar het resultaat toe; er is geen sprake van voorbedachten rade.

Maken Gould en Burns hier dus een vreselijke fout?

Nee het is een grap, een woordspeling.

Om de grap te begrijpen moet je de Engelse tekst hardop lezen:

En horen.

Met je oren.

Met drie gehoorbeentjes.

Met een oor vol met kaak.


Geplaatst in “Vroege vogels”

Facebook Comments