Bij een college evolutiebiologie raakte ik met de studenten in discussie over het nut van de biodiversiteit. Een meisje stelde de vraag: “Waarom moeten we ons zo druk om maken om die biodiversiteit? Is het erg als een zeldzame kever waarvan we de naam nog niet eens weten, verdwijnt voordat we het in de gaten hebben? We vinden het toch ook niet erg dat het pokkenvirus uitgestorven is?”

Daar sta je dan als docent. Het klassieke antwoord, dat alle ecologen geven, is dat biodiversiteit van belang is omdat het functioneren van ecosystemen er van afhangt. Naarmate er meer soorten in een ecosysteem zitten verlopen de processen gelijkmatiger en zijn ze meer bestand tegen verstorende invloeden. De stikstofvoorziening in een landbouwbodem is gebaat bij een groot aantal verschillende stikstofbacteriën, want als er één een keertje hapert kan de ander het overnemen. De afbraak van organisch materiaal is gebaat bij een groot aantal afbrekers, vooral als die tot verschillende, elkaar aanvullende, functionele groepen behoren.

Dit ecologische argument is de inspiratie geweest voor talloze onderzoeksprogramma’s, in het veld en in het lab. Heel kort samengevat heeft dit onderzoek laten zien dat een minimum aantal soorten nodig is om het functioneren van ecosystemen mogelijk te maken en dat een groter aantal soorten nodig is om de stabiliteit van ecosysteemprocessen te garanderen in een veranderend milieu.

Ik vind dit een mooie conclusie, maar toch voel ik me er niet helemaal lekker bij. Is dit argument voldoende om de biodiversiteit, met al zijn zeldzame soorten, afdoende veilig te stellen? Ik denk dan aan de enorme diversiteit van ongewervelde dieren in de bodem die ik jarenlang bestudeerd heb met behulp van Tullgren-monsters. Je maakt mij niet wijs dat al die honderden soorten, waarvan je soms maar enkele exemplaren aantreft, allemaal nodig zijn voor het goed functioneren van de bodem.

Zo ken ik bijvoorbeeld een mijt met de mooie naam Platynothrus peltifer, die een bijzonder plekje in mijn hart heeft veroverd. Als je dat beestje namelijk in een bakje onder het microscoop ziet rondscharrelen word je gelijk verliefd. Het dier heeft een heel koddige manier van lopen. Ze staat lange tijd stil en je ziet haar denken: welk van mijn acht poten zal ik eens verzetten? Dan opeens verzet ze één poot, bedachtzaam maar beslist. Onwillekeurig ga je met haar mee denken.

Een belangrijke eigenschap van Platynothrus is dat ze tot nu toe het meest gevoelige dier voor cadmium is gebleken, volgens een artikel dat ik met student John Schobben jaren geleden publiceerde. Al bij behoorlijk lage concentraties cadmium in het voer stopt ze met eieren leggen. Omdat de eileg een direct gevolg heeft voor de populatiegroei is dat een ernstig effect. Als je de gevoeligheid van Platynothrus samen met die van andere bodemdieren gebruikt om een norm af te leiden voor het maximaal aanvaardbaar gehalte van cadmium in de bodem komt die uit op 0.1 mg/kg.

Toen ik dit voor het eerst presenteerde bij een lezing kreeg ik te horen: “Maar meneer Van Straalen! Denkt u nu echt dat wij honderdduizend gulden gaan besteden aan de sanering van ons industrieterrein omdat uw mijt, waarvan wij de naam niet eens kunnen uitspreken, last heeft van een beetje cadmium?” Hij had wel een punt, vond ik, want natuurlijk heeft niemand behalve een paar bodembiologen ooit van het dier gehoord.

Ik probeerde het op de ecologische toer. Daarmee kreeg ik mijn opponent om. Toch ben ik stilletjes bang dat Platynothrus peltifer geen enkele functie in het ecosysteem heeft. Ze scharrelt gewoon rond, zoals al dat andere kleine grut, vreet schimmels en dode bladeren en legt her en der een ei. Maar als ik gedwongen wordt een functie aan te tonen zit ik met mijn handen in het haar.

Daarom werp ik een ander argument voor het behoud van de biodiversiteit in de strijd: de evolutie! De evolutietheorie laat zien dat wij een evolutionaire verwantschap hebben met alle dieren in de dierentuin, dus ook de mijten. De vergelijkende genoombiologie leert ons dat ongeveer de helft van de genen van een mijt overeenkomst vertoont met onze genen.

Als een soort uitsterft verdwijnt er dus een stukje van onszelf. Dat willen we niet. Wij zijn evolutionair verbonden met de rest van de natuur. E.O. Wilson noemde het biofilie: onze aangeboren neiging om te houden van al wat leeft. Dat je verliefd kunt worden op een mijt is de beste garantie voor het behoud van de biodiversiteit.


Geplaatst in Entomologische berichten 71(4)

Facebook Comments