Een vriend van me stuurde een foto van een merkwaardige “mosbal”, die groeide op zijn rozenstruik. “Wat is dat Nico?” Het was een gal, een structuur die gemaakt wordt door de plant onder invloed van een insect, in dit geval een galwesp. Het ziet er uit als een bolletje mos of een kleine ragebol, maar als je er aan trekt blijkt dat het vast zit op de stengel van de roos. Als je het ding opensnijdt zie je dat het bestaat uit kamertjes waar beestjes in zitten die er uit zien als maden, maar het zijn de larven van een wesp.

De mosgal is een van de meest bekende gallen van Nederland en heel erg herkenbaar, zodat ik mijn vriend per ommegaande kon antwoorden. Niet dat ik een deskundige ben, maar ik ken de gallen als biologiedocent. Vroeger deden we altijd een “gallenproject” met de eerstejaars studenten. Het is een dankbaar onderwerp voor een veldexcursie, omdat gallen altijd zichtbaar zijn, in tegenstelling tot insecten en vogels die zich nog wel eens schuilhouden bij slecht weer. Vooral de eikenbomen aan de rand van de Crailose heide, waar we altijd naar toe gingen, waren voor ons een geliefd object. Er zitten veel gallen op de eik, in de vorm van bessen, erwten, knikkers, aardappels, het kan niet op. Schat het aantal bladeren per boom dat een gal heeft, hoeveel gallen per blad, van welke soort, aan welke kant van de boom, enzovoorts. De studenten zijn lekker bezig en de docent kan in het zonnetje de krant lezen. “Ook boven in de boom, jongens!” riep ik dan.

De biologie van gallen is heel interessant, maar ontzettend ingewikkeld. De vrouwelijke wesp legt haar eitjes op de plant; uit die eitjes komt een stof die de plant dwingt om over het ei heen te groeien en een bolletje te vormen. Het is een afgedwongen woekering van de plant, je zou het een tumor kunnen noemen. Uit het ei komt een larve die lekker beschermd leeft en eet in een kamertje. Soms zitten er meerdere kamertjes in de gal, of leven de wespen met een groepje in één kamertje. Na de verpopping boort de volwassen wesp een gaatje in de wand en komt hij tevoorschijn.

De gal is heel karakteristiek; je kunt aan de vorm en de kleur van de gal direct de verwekker herkennen; ook de plaats waar de gal zit is kenmerkend: op de bladnerven of in het bladmoes, op een knop, op de stengel of op de stam, elke galvormer heeft zijn eigen plekje. Er zijn alleen al bij de wespen 23 soorten in Nederland en dan heb ik het nog niet eens over de galmuggen, galvliegen, galmijten en de talloze andere groepen binnen de geleedpotige dieren die gallen kunnen maken. Meestal zijn het erg kleine beestjes die nauwelijks opvallen; je ziet ze nooit vliegen; je herkent ze aan de gal die ze maken.

In de bijbel van de gallofiel, het grote gallenboek van W.M. Docters van Leeuwen, las ik dat de mosgal op roos, ook wel “bedeguaar” heet. Wat een raar woord! Na wat zoeken kwam ik er achter dat het afgeleid is van het Perzische woord bãd-awãrd, wat zou betekenen “gebracht door de wind”. Ik checkte dit bij mijn Iraanse postdoc op de VU, maar zij voegde er nog meer betekenis aan toe. Ze zei: “Het is iets dat uit zichzelf gekomen is; je hebt niet geprobeerd het te pakken, maar nu heb je het”. En nog sterker: het Nederlandse woord “gal”, in de betekenis van gezwel, is volgens haar ook afkomstig uit het Perzisch! Gal in het Perzisch betekent “wrat”. Via de Perzische arts Avicenna uit de tiende eeuw is dit woord bij ons gekomen. Gal met de wind. Wat een boers Nederlands woord lijkt is in feite poëzie uit Perzië.

Facebook Comments