Batteren is goed voor een kind. Ik dacht altijd dat batteren een Westfries woord was, maar ik kon het niet vinden in mijn “Hé, is dat Westfries?”,  het referentieboek voor alle vragen over het dialect, van meester Herman Langedijk. Ook in mijn “Koenen Woordenboek der Nederlandse Taal” staat het woord niet, wat ik nog vreemder vond. Ik heb er ook geen equivalent voor. Batteren is was een batter doet en een batter is een kind dat battert. Lekker met een schepje in de grond poeren, wormen vastpakken, met kluiten gooien, een spijker in een stuk hout timmeren, langs de slootkant rietsigaren verzamelen en die stiekem in de fik steken, alle kinderen weten wat batteren is.

Batteren is ook wat Finse kinderen doen, daarom kwam ik erop. Ik las vorige maand in het blad Science Advancesdat kinderen die geregeld buiten spelen een betere immunologische afweer opbouwen. De onderzoekers hadden een stuk of tien creches uitgekozen in de steden Lahti en Tampere. Op sommige creches bleven de kinderen de hele dag binnen, bij andere creches speelden ze buiten, op een grasveldje met een paar struiken en bij weer andere creches werden de kinderen doelbewust meegenomen naar het bos om daar tussen de bladeren te spelen. Naderhand keken de onderzoekers naar de bacteriën op de huid en met bloedonderzoek bepaalden ze een aantal immunologische variabelen.

De onderzoekers noemen dit met een duur woord een “biodiversiteitsinterventie”, maar eigenlijk bedoelen ze natuurlijk het versterken van het battergedrag. Uit het onderzoek bleek dat de kinderen die buiten speelden en naar het bos gingen werden blootgesteld aan een hogere biodiversiteit: ze zagen meer torretjes, pissebedden en regenwormen, maar het gaat natuurlijk om de bacteriën. Uit het onderzoek bleek dat zulke kinderen inderdaad meer verschillende bacteriën op hun huid hebben. Ook hun immuunsysteem was beter afgeregeld. Of de kinderen ook minder vaak ziek werden staat er niet bij; het was maar een kort onderzoekje, maar wel veelzeggend.

Het raakt aan de zogenaamde hygiëne-hypothese, die stelt dat door de toegenomen hygiëne in de moderne maatschappij het afweersysteem van kinderen niet goed ingeregeld wordt waardoor ze op latere leeftijd eerder last hebben van infectieziekten. Ik heb dat verhaal altijd met argwaan bekeken, want ik weet hoe de toegenomen hygiëne in de Westerse wereld sinds het begin van de twintigste eeuw juist zoveel ziektes heeft uitgebannen, maar blijkens het Finse onderzoek zou er toch een kern van waarheid kunnen zitten in de hygiënehypothese.

En om eerlijk te zijn, het klopt ook met mijn eigen batterverleden. Ik ben opgegroeid op het platteland, tussen de kluiten, de sloten en de koeien. Soms ging ik tussen de middag eten bij een vriendje waarvan de vader boer was. In de winter stonden de koeien op stal en ook de eettafel stond in de stal want daar was het lekker warm. Als een koe een flets liet kwamen de spatters op je boterham. Altijd waren mijn handen vies, weet ik nog en dat viel des te meer op doordat mijn rechter duim altijd schoon bleef. Wat daar allemaal op zat aan viezigheid zoog ik eraf.

Het is dus mogelijk dat ik het levende bewijs ben van de Finse hypothese, want ik ben vrijwel nooit ziek. Af en toe ben ik een keer verkouden, maar nooit erg genoeg om thuis voor te blijven. Ik kan me niet herinneren dat ik me in al die jaren van mijn werkzame leven één dag ziek gemeld heb. Ik heb een goed gestel gekregen van mijn ouders, denk ik, maar misschien is het ook toe te schrijven aan mijn verleden als batter. Nu heb ik zelf ook een heel stel batter-nakomelingen gekregen, 2 weken geleden werd er nog eentje aan toegevoegd. Ik wens ze allemaal veel batterplezier en een goede gezondheid.

Facebook Comments