Het beroemde boek van Mary Shelley “Frankenstein, or the Modern Prometheus” verscheen in januari 1818, nu dus 200 jaar geleden. Het wetenschappelijk tijdschrift Science maakte ruimte voor niet minder dan zes artikelen om dit feit te gedenken. Onder andere was er een stuk van de Nederlandse filosoof Henk van den Belt uit Wageningen, die stelde “Frankenstein leeft nog steeds”. Waarom maken wetenschappers zich zo druk om een romanpersonage?

Uiteraard is dat vanwege het ijzersterke beeld dat Mary Shelley opgeroepen heeft met Frankensteins monster. Victor Frankenstein maakt een levende mens vanuit lichaamsdelen die hij her en der vandaan haalt. Door een elektrische stroom te zetten op het bij elkaar genaaide zootje weet hij het lichaam tot leven te wekken. Het loopt niet goed af met Frankenstein en zijn familie, zoals u weet.

Shelley beroept zich in het voorwoord van haar boek op “Dr. Darwin”, die haar kennelijk verklaard heeft dat de gebeurtenissen van het boek niet als onmogelijk beschouwd moeten worden. Ze doelt daarmee niet op de bioloog Charles Darwin, maar op diens grootvader, Erasmus Darwin. Deze Erasmus Darwin stierf echter in 1802 dus Shelley kan niet verwijzen naar een werkelijke uitspraak van hem, maar waarschijnlijk naar zijn idee dat het niet onmogelijk is dat levende materie kan ontstaan uit dode materie. Hij had namelijk zelf gezien dat er levende maden ontstonden in een mengsel van meel en water dat een tijdje weggezet was.

Bij het maken van het verhaal werd Shelley waarschijnlijk ook beïnvloed door de ontluikende medische wetenschap aan het eind van de achttiende eeuw. In 1780 had Luigi Galvani laten zien dat een spier uit een dode kikker zich kon samentrekken als je er een elektrisch stroompje op zette. Elke bioloog weet dat dit zo is, want de werking van het zenuwstelsel is gebaseerd op elektrische verschijnselen. Ik kan het zelf ook getuigen want in mijn studie deden we een practicum elektrofysiologie waarbij je met de dijbeenspier van een kikker de relatie tussen belasting en spierspanning kon illustreren, een klassieke proef voor biologiestudenten.

Ik heb het boek van Shelley een paar jaar geleden gelezen maar eerlijk gezegd vond ik het nogal tegenvallen, tenminste als verhaal. Er zitten naar mijn smaak teveel rare wendingen in. Maar het beeld van het monster is natuurlijk vooral bepaald door de vele films die er over het boek gemaakt zijn. Het is een fantastisch onderwerp voor een film: een menselijk monster, gemaakt door de mens, dat zijn eigen ondergang bewerkstelligt. Het beeld dat het boek van Shelley oproept heeft in 200 jaar nog nauwelijks aan kracht ingeboet.

Sterker nog, het monster van Frankenstein heeft zijn lange schaduw vooruit geworpen tot in de moderne tijd. Het monster leeft voort in termen zoals Frankenstein-voedsel. Prins Charles uit Engeland heeft zich meerdere malen op die manier uitgelaten in zijn afkeer van voedingsmiddelen die gemaakt zijn met genetisch gemodificeerde planten. Hij is niet de enige die zich zo uitdrukt. Wetenschappers kunnen niet opboksen tegen zulke sterke beeldvorming, ook al gaat het om genetisch gemodificeerde gewassen die uit en te na beoordeeld en veilig bevonden zijn.

Daarom bekijken biologen het monster van Frankenstein met gemengde gevoelens. Craig Venter, de beroemde biotechnoloog die veel gedaan heeft aan het ontwikkelen van moderne DNA-technieken, zei in een interview met Science: “Een op angst gebaseerde maatschappij richt meer schade aan dan de dingen waar ze bang voor zijn”. Persoonlijk denk ik dat als de mensheid ten onder zal gaan, het zal zijn als gevolg van overbevolking, honger en massamigratie, en niet als gevolg van nieuwe biotechnologie. Het monster van Frankenstein is iets om bang voor te zijn in nachtmerries, zoals de jonge Shelley ze beleefde, maar niet als bedreiging van de moderne maatschappij.

Facebook Comments