“Nico bij een demonstratie?” Zo reageerde een vriendin toen ik via Facebook vroeg wie er op de demonstratie was. Maar haar verwondering was niet terecht. Ik beschouw mezelf niet als een ras-demonstrant, maar voor het goede doel ga ik graag de straat op. Terugdenkend heb ik ook best wat op mijn kerfstok, qua demonstraties. Mijn carrière begon met een Vietnamdemonstratie in Haarlem, in 1969. Ik raakte in de jaren zeventig verzeild in de Nieuwmarktrellen, en ik heb zelfs de slag om de Blauwbrug op 30 april 1980 van nabij gezien, toen de tegels tegen de ME-busjes kletterden. Later, in de jaren tachtig, liep ik mee in de grote optochten tegen de Amerikaanse kernwapens in Europa; dat waren de meest indrukwekkende demonstraties die ik ooit heb meegemaakt. Met plaatselijke actievoerders organiseerde ik drie keer een demonstratie voor een autovrije dijk in Volendam. De laatste demonstratie waar ik aan mee deed was in 2011 in Den Haag, waar duizend hoogleraren gekleed in toga en al rond de Hofvijver liepen om aandacht te vragen voor de voortdurende bezuinigingen op de universiteiten.

Maar nu was het de mars voor de wetenschap, op de dag van de aarde. Er was heel wat volk op het Museumplein in Amsterdam en omdat ik me kenbaar had gemaakt via Facebook stond ik gelijk in het gezelschap van verschillende collega’s, te luisteren naar toespraken vanaf het podium, en rondkijkend in de tenten waar allerlei informatie werd gegeven over nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen.  De mars zelf bestond uit een rondje rond de vijver, waarbij we ons in een lange rij tussen de toeristen door wurmden.

De demonstratie in Amsterdam was er één van meer dan 600 wereldwijd op dezelfde dag. In Amerika zijn ze hoofdzakelijk begonnen als protest tegen president Trump en uiteraard was de enorme weerzin die die vent oproept bij vrijwel alle wetenschappers ook een motivatie voor de Nederlandse universitaire wereld, inclusief mezelf, om in actie te komen. Maar de toespraken hielden het netjes en alleen een groep vrouwen met roze “pussy hats” en een enkel demonstratiebord refereerde aan Trump.

Namens de verzamelde Nederlandse universiteiten sprak de rector van mijn universiteit, de Vrije, en hij deed dat erg goed, vond ik. Hij liet zich niet verleiden tot een lekker potje jellen tegen Trump, waar ik stilletjes wel zin in had, maar riep op tot “het vieren van het streven naar kennis en de wetenschappelijke methode – een gepassioneerde zoektocht naar de waarheid, met objectieve feiten als richting gevende bakens en ons gevoel voor nieuwsgierigheid als de drijvende kracht”. Maar hij zei ook: “Laten we erkennen dat we als wetenschappers een verantwoordelijkheid hebben om de interactie met het publiek aan te gaan, om onze verhalen te vertellen en geïnspireerd te worden door wat we terug horen.”

Dat waren wijze woorden van Vinod Subramaniam, die op zijn 18e met twee koffers in zijn hand op het vliegveld van New Delhi stond om af te reizen naar de Verenigde Staten waar hem een studiebeurs was aangeboden. Na omzwervingen via Duitsland en Engeland belandde hij in Nederland, waar hij nu rector is van de VU. Vinod hoeft niet te jellen tegen Trump. Hij is zelf het levende bewijs van de waarde van wetenschappelijke vrijheid, van de verworvenheden van de open Westerse maatschappij waarin talenten over de hele wereld een plek kunnen vinden die ze voor hun zoektocht naar kennis en wijsheid nodig hebben.

Ik beschouw de toespraak van Vinod als opdracht voor mijn eigen kleine queeste: hoe wetenschap om te zetten in verhalen die door mensen begrepen kunnen worden en hoe gevoelig te blijven voor signalen uit de maatschappij die een wetenschappelijk antwoord vereisen. Het was de moeite waard om daarvoor te demonstreren.

Facebook Comments