Je zou denken, een ei is ovaal, want het woord zegt het al, ovum betekent ei. Maar de vorm van een ei laat nog allerlei variaties toe. Een ovaal kan variëren in de lengte, van bijna bolvormig tot een langwerpige sigaar. En ze kan meer of minder asymmetrisch zijn, dat wil zeggen aan twee kanten bijna even bol, of één kant erg stomp en de andere kant erg puntig. Een ovaal heeft maar één symmetrieas, in tegenstellig tot een ellips, die symmetrisch is om twee assen.

Denk voor een niet-symmetrische ovaal bijvoorbeeld aan een kievitsei. Als schooljongen liep ik dagenlang door het land op zoek naar kievitseieren, dus ik weet hoe ze er uit zien. Een kievitsei heeft een puntige en een stompe kant en is ook vrij bolvormig, meer dan een kippenei. Een kippenei is bijna symmetrisch, dat wil zeggen dat de puntige en de stompe kant niet zo erg van elkaar verschillen, maar ze is wel langgerekter dan een kievitsei. Dit illustreert dat je eieren op twee manier kunt karakteriseren, naar bolheid en naar asymmetrie.

Je kunt je voorstellen dat puntige eieren voor een kievit erg handig zijn bij het broeden. Ze liggen met zijn vieren met de punten naar elkaar in het nest. Als ze die punten niet zouden hebben zou er in het midden ruimte overblijven en dat is zonde, want die kun je net zo goed met ei opvullen. De puntige vorm hangt dus samen met het aantal eieren in het nest en de vorm van het nest. Op dezelfde manier zie je vaak sterk puntige eieren bij vogels die broeden op steile hellingen, zoals alken. Zulke vogels leggen maar een paar eieren en die moeten niet wegrollen want dan zijn ze verloren. Een niet-bolvormig ei is dan voordelig.

Zo blijkt al dat wat eerst een triviale uitspraak was, namelijk een ei is ovaal, bij nader inzien door wetenschappers behoorlijk ingewikkeld gemaakt kan worden. Maar daar zijn het wetenschappers voor. Om voor eens en voor altijd het laatste woord te hebben over de vorm van vogeleieren heeft nu een groep biologen uit Amerika, China, Singapore, Israël en Engeland van bijna 50.000 eieren, behorend tot 1400 vogelsoorten, de symmetrie en de bolheid opgemeten.

Als u denkt, wat doen biologen zoal, welnu, dit is wat sommige biologen doen. En ze worden er nog beroemd ook mee, want ze publiceerden vorige week hun bevindingen in het wetenschappelijke toptijdschrift Science. Toch hebben ze een opvallende ontdekking gedaan: de vorm van een vogelei is nog het meest gecorreleerd met het vliegvermogen. Vogels die erg goed en ver kunnen vliegen hebben vanwege de noodzakelijke stroomlijning van hun lichaam een smal bekken. Daardoor is het smalste punt van de eileider, waar het ei doorheen geperst wordt voordat er een kalkschaal op afgezet wordt, aan de nauwe kant en dat leidt tot langwerpige en asymmetrische eieren.

Ik was benieuwd of er uit dit artikel ook iets te concluderen viel over de hamvraag die krantenlezer Jan Rustenburg mij een tijdje geleden stelde: wat was er eerder, de kip of het ei? Mijn antwoord was: het ei natuurlijk, want de vogels evolueerden uit reptielen en die hadden al eieren. Maar na het lezen van het Science-artikel moet ik daar misschien toch anders over gaan denken. Het ei is een aanpassing aan de levenswijze van de vogel. Eerst had je een vogel, en die ging steeds beter vliegen; daardoor veranderde haar ei, dus het ei liep in die zin achter de vogel aan.

Lieve lezer, ik meende dat u na mijn zwaar-wetenschappelijke columns van de afgelopen weken, over menselijke fossielen en DNA-onderzoek, in de zomertijd recht had op wat luchtiger onderwerpen. Vandaar dat ik dit ei gelegd heb; wel wetenschappelijk, maar toch ook verteerbaar.

Facebook Comments