“Mij dunkt dat iedere geneesheer zijn best moet doen om de kunst van het voorspellen te verkrijgen.” Zo begint Hippokrates zijn boek “Voorspellingen en voorzeggingen”. Hippokrates was een Griekse arts die leefde van 460 tot 370 voor Christus. Ik kreeg het boek, eigenlijk een klein boekje van niet eens 12 cm hoog, in twee delen, van een vriend. Hij had het gered uit de schoolbibliotheek toen die opgeruimd werd. “Plank 1, kast 12” staat er in het stempel op de eerste bladzijde. Het boekje is uit 1835 nota bene, misschien wel antiquarisch.

Ik begon er gelijk in te lezen. Als gymnasiast weet je natuurlijk dat Hippokrates de grondlegger is van de moderne geneeskunst en dat nog steeds elke arts de “Eed van Hippokrates” moet afleggen. Als gymnasiast mag je ook verondersteld worden een beetje Grieks te kennen, maar om eerlijk te zijn vond ik het wat ver gaan om Hippokrates in het Grieks te lezen. Gelukkig staat in mijn boekje op de rechter bladzijdes een Nederlandse vertaling, naast de oorspronkelijke Griekse tekst op de linker bladzijdes.

Wat ik frappant vond is dat Hippokrates – 400 voor Christus, mind you! – zo’n moderne aanpak had. Hij zei: je moet kijken naar de patiënt, hoe ziet zijn gezicht er uit, zijn ogen, zijn huidskleur, het hele lichaam, kijk naar zijn stoelgang, zijn urine, eventueel fluimen, etter of bloed. Wat je daar aan ziet vertelt je iets over de gezondheid van de patiënt en vooral vertelt het je of de patiënt spoedig zal overlijden, of dat er hoop is dat de ziekte voorbij zal gaan.

“Een droge en dikke tong beduidt hersenontsteking”, leert Hippokrates ons, en: “is de kortademigheid een voorbode van dikke pis en hik, of volgt er een galachtige en schuimende stoelgang op?” Dan is het niet best. De reden dat Hippokrates zo’n aandacht had voor poep, pis, fluim en etter was dat hij er van overtuigd was dat er in het lichaam een evenwicht moest zijn tussen de vier typen lichaamssappen: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal. Hij was de eerste in de Westerse wereld die op basis van waarneming en symptomen het verloop van een ziekte kon voorspellen. De geneeskunde werd zo weggetrokken uit de sfeer van de tovenarij en bovennatuurlijk gezwets; het werd een praktische wetenschap gebaseerd op waarnemingen en met controleerbare methodes. Het kan geen kwaad dat nog eens te benadrukken in deze tijd waarin zoveel mensen zich van de moderne geneeskunde afwenden en zich verlaten op allerlei niet-bewezen behandelingen. Ze gaan terug naar de tijd vóór 400 voor Christus.

Ik zocht in het boekje natuurlijk ook naar de eed van Hippokrates, vanwege de discussie over euthanasie en abortus provocatus. Worden die handelingen verboden door de eed, zoals vaak gezegd wordt? In de versie die jarenlang in Nederland aangehouden werd staat: “Nooit zal ik, om iemand te gerieven, een dodelijk middel voorschrijven of een raad geven, die, als hij wordt gevolgd, de dood tot gevolg heeft. Nooit zal ik een vrouw een instrument voorschrijven om een miskraam op te wekken.” Deze versie van de eed is afgeleid van een tekst op papyrus uit de derde eeuw na Christus, maar of die overeen komt met wat Hippokrates zijn leerlingen werkelijk liet zweren is onduidelijk.

In de moderne versie, in 2003 ingevoerd door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, is de tekst vereenvoudigd en anders geformuleerd: “Ik zal aan de patiënt geen schade doen”. Deze versie komt meer overeen met een frase uit het boek “Epidemieën” waarvan we weten dat het door Hippokrates geschreven is. Daarin staat, vrij terloops: “ten eerste, doe geen schade”.

Dat mijn kleine boekje over poep, pis, fluim en etter aanleiding zou zijn voor een naspeuring naar de hippocratische eed had mijn vriend vast niet bevroed.

Facebook Comments