Via deze column houd ik u op de hoogte van nieuwe vondsten van menselijke botten, van fossielen van onze voorvaderen, tot 6 miljoen jaar geleden. Ik ken een lezeres die dan gelijk begint te gapen, maar toch is het belangrijk, want fossielen zijn de meest concrete aanwijzingen die we over ons verleden hebben en we willen toch weten waar we vandaan komen?

Bovendien: de studie van fossielen is een veld waar erg veel drama, persoonlijke vetes, en grote ego’s achter zitten. Namelijk, fossielen worden gevonden door onderzoekers, na jarenlang graven, kwasten en zeven, jarenlang met resultaat nul, totdat je opeens iets vindt dat je beroemd zal maken. De rest van je leven doorgaan voor de bekende ontdekker van een wereldberoemd fossiel, dat wil iedereen. Bovendien zijn de fossielenjagers allemaal grote ego’s zodat ze elkaar niks gunnen en vaak elkaar bestrijden tot op het bot.

Het vermakelijke boekje van Ian Tattersall met de mooie titel “Het vreemde geval van de kozak die leed aan Engelse ziekte en andere waarschuwende verhalen uit de menselijke evolutie” staat vol met zulke verhalen. De kozak was nota bene het fossiel van de neanderthaler, waarvan men in de negentiende eeuw beweerde dat het een Rus was die tijdens de oorlog met Napoleon met paard en al in het moeras gezakt was.

Maar goed, vorige week dook er weer een vermakelijk bottenverhaal op, dit keer over de Tsjaad-mens, een heel bijzonder fossiel, want het is 6,5 miljoen jaar oud, het oudste fossiel in de menselijke lijn, als het tenminste in de menselijke lijn valt. Vanaf het begin was er gedoe om dit fossiel, waarvan niet veel meer dan een schedel is gevonden. Die schedel is in 2002 beschreven door een Franse groep onder leiding van Michel Brunet die inderdaad gelijk beroemd is geworden. Er is zelfs een straat naar hem genoemd, rue Michel Brunet in Poitiers. Maar de Amerikaanse paleontoloog Milford Wolpoff trok gelijk fel van leer en beweerde dat het fossiel niet van een mens was maar van een uitgestorven gorilla. Daar zijn ook goede redenen voor als je kijkt naar het achterhoofdsvlak, dat een vrij grote hoek maakt met de onderkant van de schedel, iets wat je bij mensen niet ziet. Aan het achterhoofdsvlak zitten de nekspieren die bij chimpansees en gorilla’s naar achteren gericht zijn en bij de mens, vanwege het lopen op twee benen, naar onderen. Bovendien is het fossiel gevonden in Midden-Afrika, terwijl alle andere oude menselijke fossielen uit de Grote Riftvallei in Oost-Afrika komen.

Ik heb indertijd gelijk een afgietsel van de Tsjaadmens-schedel besteld en we gebruiken hem altijd bij het bottenpracticum. Ook de studenten van mijn cursus zijn er niet van overtuigd dat het een mensachtige is.

Maar nu roert zich een Franse paleontoloog, Roberto Macchiarelli, van de Universiteit van Poitiers die beweert dat er indertijd behalve de schedel ook een dijbeen gevonden is. Hij heeft in 2004 dat dijbeen gezien en er een kort verslag over gemaakt en hij wilde dat presenteren op een congres van de Antropologische Vereniging van Parijs dat vorige week gehouden is. Maar zijn bijdrage werd geweigerd door de organisatie. Macchiarelli werd woedend natuurlijk en vertelde het hele verhaal aan het tijdschrift Nature.

Je kunt wel bevroeden waarom het dijbeen al die jaren niet beschreven is en ook nu in de la moet blijven: het klopt niet met het idee van Brunet dat de Tsjaadmens een mensachtige is. Het bot zou zomaar kunnen bewijzen dat ze het al die jaren bij het verkeerde eind hebben, zoals mijn studenten trouwens ook al jaren vinden.

Zo zit de paleontologie vol met mooie verhalen over sterke ego’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en hun botten eerder geheim willen houden dan toegeven dat ze fout zaten.

Facebook Comments