Het is een favoriet onderwerp voor biologische thrillers: een genetisch gemodificeerd dier ontsnapt uit een laboratorium en veroorzaakt een wereldwijde bedreiging. Zo las ik het boek van de Zuid-Afrikaanse bioloog Adriaan Reinecke, iemand die ik goed ken omdat hij vroeger werkte aan regenwormen. Na zijn pensionering heeft hij zich toegelegd op het schrijven van biologische thrillers. Zijn boek Einstein’s Sons gaat over de uitvinding van stoffen waarmee het gedrag van mensen is te beïnvloeden. Je kunt er iemands seksuele oriëntatie mee manipuleren, zijn neiging tot crimineel gedrag en zelfs zijn religieuze gevoelens. Een duister bedrijf is er in geslaagd om de deze stoffen te fabriceren en in grote hoeveelheden beschikbaar te krijgen. Het is duidelijk dat dit een dodelijk wapen zou zijn als het in handen zou vallen van terroristen of kwaadwillende dictators.

Een jonge bioloog, samen met zijn vriendin, een beeldschone Franse studente politicologie, komt de sekte op het spoor en weet beetje bij beetje het wereldwijde netwerk te ontrafelen. In Zuid-Afrika staat op een verborgen plaats een proefdiercentrum waar men de stoffen uitprobeert op chimpansees en gorilla’s. Je voelt aankomen dat het daar fout gaat en inderdaad weet op een gegeven moment een groep agressief-gemanipuleerde apen te ontsnappen en begint de bewaking uit te moorden. Uiteindelijk loopt het nog redelijk goed af, de bioloog en zijn vriendin overleven en het primatencentrum wordt met de grond gelijk gemaakt. Maar een aantal gemanipuleerde chimpansees weet te ontsnappen.

De vraag is of zulke verhalen ooit werkelijkheid kunnen worden. Er zijn talloze laboratoria ter wereld waarin onderzoek gedaan wordt naar ziektes veroorzaakt door bacteriën en virussen. Als je geneesmiddelen tegen infectieziektes wilt ontwikkelen ontkom je er niet aan dat je gevaarlijke micro-organismen moet kweken of in ieder geval in cultuur houden. Vaak zijn ze genetisch gemodificeerd bijvoorbeeld om te onderzoeken hoe de ziekteverwekkende eigenschap uit te schakelen is. Ook planten worden vaak genetisch gemodificeerd bijvoorbeeld om te kijken welke eigenschappen een plant resistent tegen ziektes kunnen maken.

In al zulke gevallen ben je verplicht om speciale voorzorgsmaatregelen nemen om te voorkomen dat er materiaal ontsnapt uit het laboratorium. Vandaar dat er in Nederland en andere landen een systeem van veiligheidsinspecties opgezet is. Je moet vergunning aanvragen, je lab moet aan speciale eisen voldoen, het personeel moet getraind zijn, enzovoorts. Als er toch iets gebeurt, bijvoorbeeld een van de laboranten loopt een ziekte op, of zaad van een genetisch gemodificeerde plant komt buiten het lab terecht, moet dat gemeld worden bij de Europese Unie.

Vorige week maakte de Inspectie Leefomgeving en Transport bekend dat Nederland in de jaren 2009 tot en met 2014 in totaal dertien “ongelukken” met genetisch gemodificeerde organismen heeft gemeld bij de Europese Unie. Met “ongeluk” wordt bedoeld dat er genetische gemodificeerd materiaal buiten het lab of de kas terecht is gekomen. Het werd verteld bij een symposium over biologische veiligheid in Amsterdam, op 19 januari. Geen van de ongelukken had trouwens gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu. En interessant was dat het in alle gevallen geen fout was van de apparatuur of het gebouw, maar van de onderzoeker zelf. De mens is de zwakste schakel in de veiligheid.

Is het veel, twee voorvallen per jaar? Elk ongeluk is er een teveel natuurlijk, maar gelet op het aantal laboratoria en het aantal proeven dat dagelijks uitgevoerd wordt kun je stellen dat het echt zeldzaam is. Het is goed dat het gemeld wordt zodat je actie kunt ondernemen om de veiligheid nog verder te vergroten, maar de kans dat wij hier in Nederland te maken krijgen met uit een laboratorium ontsnapte ziekteverwekker, laat staan met agressieve chimpansees of alles overwoekerende planten is vrijwel nul.

Facebook Comments