In het boek van Daniel Dennett, “Van bacterie naar Bach en terug” trof ik één gedachte aan waar ik het mee eens was. Ik zeg één, omdat het grootste deel van het boek me mateloos irriteerde. Ik heb het onder stil protest uitgelezen, hoofdzakelijk omdat de Amerikaan Dennett bekend staat als een van de grootste filosofen van dit moment en over evolutiebiologie schrijft. Hij kreeg nota bene in 2012 de Nederlandse Erasmusprijs. Zijn laatste boek gaat over de evolutie van het bewustzijn, de evolutie van de geest, zoals hij het noemt, maar er staat amper een origineel idee in. Hij heeft alles geleend van de bioloog Richard Dawkins, die al in 1978, in het laatste hoofdstuk van zijn opzienbarende boekje “De zelfzuchtige genen”, in een hoofdstuk van 13 bladzijdes, het idee introduceerde waar Dennett 40 jaar later 518 bladzijdes voor nodig heeft zonder er veel nieuws aan toe te voegen.

Het spijt me lieve lezer, ik moest dit even kwijt, vooral om weerwerk te bieden aan de juichende recensies die indertijd in de Volkskrant, Trouw en NRC stonden.

Al op bladzijde 45 van het boek jaagt Dennett mij op de kast met zijn onnodige aanval op Stephen J. Gould. Kom bij mij niet aan Stephen J. Gould, de helaas in 2002 overleden Amerikaanse evolutiebioloog die, vind ik, wel de juiste visie had op de evolutie. Gould heeft samen met zijn collega Richard Lewontin in 1979 een prachtig artikel geschreven waarin hij op magistrale wijze de draak steekt met mensen zoals Dennett die overal een aanpassing in zien. Gould noemt ze “adaptationisten”. Alles in de natuur is door natuurlijke selectie gevormd tot iets nuttigs, zeggen die mensen. Het gevolg is dat ze blind worden voor andere verklaringen. Adaptationisten zijn zoals dr. Pangloss uit het satirische verhaal Candide van Voltaire: ze hebben overal een verklaring voor en het verhaal klopt altijd. “Zingt de leeuwerik dan doet hij dat om een partner te lokken; zingt een andere vogel niet, dan is dat omdat roofvogels hem daardoor niet zo snel kunnen vinden. Is een vlinder bont gekleurd dan is dat om de aandacht van een partner te trekken; is hij wit of groen dan is het een schutkleur. Bestaat er eigenlijk wel een biologische eigenschap die geen voordeel oplevert?” Zo maakte Karel van het Reve al in de jaren zestig in het Hollands Maandblad de simplistische opvatting van evolutie belachelijk, en hij had gelijk. De evolutie van de geest is een te groot onderwerp voor de benauwde blik van een adaptationist als Daniel Dennett.

Evolutie is een rijke wetenschap. Evolutie gaat over hoe veranderingen in het erfelijk materiaal ontstaan en wat het lot is van die veranderingen. Hoe passen ze in het bouwplan van een soort en zijn ontwikkeling? Zijn ze voordelig, nadelig, of hebben ze geen effect op het uiterlijk van de soort? Maar Dennett stelt de “hoe-vraag” niet. Hij blijft zwaaien met Charles Darwin, de man die het principe van natuurlijke selectie formuleerde in 1859. Darwin heeft een heleboel nuttige dingen gezegd, maar hij kon natuurlijk niet alles weten. Er is nogal wat gebeurd sinds die tijd. Dennett is met zijn opvatting van evolutie in 1859 blijven hangen.

Het boek gaat trouwens helemaal niet over bacteriën en maar heel zijdelings over Bach. Sowieso gaat hij niet terug. Dennett heeft die titel gekozen omdat het zo lekker allitereert. Ja, zo kan ik ook een boek schrijven. Hij houdt de lezer voor de gek. Hij daagt je uit: kijk eens wat een rare titel ik bedacht heb, die kun je toch niet serieus nemen? De meeste recensenten trappen er in; die nemen het wel serieus, alleen omdat het Daniel Denett is, de beroemde filosoof.

Maar nu lieve lezer, houd ik er mee op. Het ene idee dat ik wel goed vond in het boek van Dennett houdt u van me tegoed, als ik het nog kan vinden.

Facebook Comments