Vijftig jaar geleden, in 1967, verscheen het beroemde boek van Desmond Morris “The Naked Ape”, later in het Nederlands vertaald als “De naakte aap”. Ik zat op de middelbare school toen ik het las en werd gelijk zó gefascineerd door het onderwerp dat ik besloot biologie te gaan studeren.

Met de titel van zijn boek gaf Morris aan dat de mens in wezen een mensaap is, niet alleen in lichaamsbouw, maar ook in gedrag en zelfs in moreel oordeelsvermogen. Maar de titel benadrukt ook dat de mens in één opvallend opzicht verschilt van een aap, namelijk het gebrek aan lichaamsbeharing. Waarom heeft de mens zo weinig haar?

In het boek van Desmond Morris wordt veel aandacht geschonken aan de rol van seksuele selectie. Door naaktheid komen de lichaamsvormen van de mens beter uit en ontstaat de mogelijkheid om elkaar door aanraking tot seksuele opwinding te brengen. Daardoor werd al vroeg in de evolutie van de mens een weinig behaard lichaam geprefereerd door het andere geslacht. Elke man of vrouw die ietsje minder haar had dan gemiddeld kreeg een voordeel. Zo is de lichaamsbeharing gaandeweg steeds minder geworden. Daar komt bij dat vanwege de seksuele opwinding mannen en vrouwen graag in elkaars gezelschap verblijven wat gunstig is voor de paarbinding. Ook het copuleren met de gezichten naar elkaar toe, een houding die in het dierenrijk nauwelijks voorkomt, wordt hier mee in verband gebracht.

Een sterke paarbinding is gunstig omdat daarmee verzekerd is dat de kinderen lange tijd hulp en onderricht krijgen. Bij de mens duurt de kinderperiode extreem lang. Dat heeft een groot voordeel want daardoor kan de ervaringskennis van ouders op de kinderen worden overgedragen. Bijna alles wat we weten hebben we geleerd van ouders, onderwijzers en leraren. In zo’n situatie is het voordelig dat de ouders bij elkaar blijven zolang de kinderen opgroeien.

De verklaring van Morris voor de naaktheid van de mens is er een van de vele, maar hij wordt wel veel aangehaald en gaat er in als koek, zeker bij mij als middelbare scholier eind jaren zestig. Maar het is opvallend dat er veel meer gespeculeerd is over het “nut” van weinig lichaamsbeharing dan over hoe het is ontstaan en wanneer. Daarom ging ik biologie studeren. Maar ik vond niet direct een antwoord en na een paar jaar vergat ik de aanleiding. Later ging ik evolutiebiologie doceren en merkte dat de vraag nog steeds niet beantwoord was.

Tot aan vandaag! Vandaag is de officiële verschijningsdatum van mijn boek “Evolueren wij nog?” Het is een gestold product van jarenlange studie en verschillende cursussen over de evolutie van de mens die ik met mijn collega Dick Roelofs gegeven heb aan de Vrije Universiteit.

De oplossing voor de naaktheid die we voorstellen ligt in de ontwikkelingsbiologie. Ontwikkelingsbiologen bekijken hoe uit een bevruchte eicel een volwassen mens groeit. Die kennis is essentieel voor een goed begrip van de evolutie. Als je de diverse oude mensensoorten met elkaar vergelijkt zie je dat de mens in de loop van de tijd een steeds jonger uiterlijk gekregen heeft. Dat wil zeggen, de lichaamsgroei en de geslachtelijke ontwikkeling gingen door, maar de vorm van de schedel en de rijping van de hersenen werden vertraagd. Ons hoofd lijkt veel meer op dat van een baby-chimpansee dan op de kop van een volwassen chimpansee, met zijn naar voren stekende snuit.

De stelling in ons boek is: dat geldt ook voor ons lichaamshaar. Wij hebben baby-haar behouden, dat wil zeggen heel weinig. Wij zijn een naakte aap omdat we een baby-aap zijn. Dat ik, vijftig jaar na de “De naakte aap”, met kennis van de moderne ontwikkelingsbiologie een antwoord mocht vinden op de vraag die ik me als scholier stelde, markeert op wonderlijke wijze de verschijning van ons boek.

Facebook Comments