In de publiciteit die gepaard gaat met de publicatie van Dick Swaabs nieuwe boek “Wij zijn ons creatieve brein” wordt de auteur vaak weggezet als een “biologische determinist”; iemand die alleen maar oog heeft voor de biologische basis van menselijk gedrag, iemand die ontkent dat er een vrije wil is en die beweert dat ook onze morele gevoelens, het oordelen over goed en kwaad, zelfs het verliefd worden, allemaal toe te schrijven zijn aan vastliggende hersencircuits en elektrochemische signalen tussen de hersencellen.

Swaab lijkt daar zelf geen weerstand tegen te willen bieden. Hij lijkt het niet erg te vinden om voor biologisch determinist uitgemaakt te worden. Dat is onterecht, vind ik; hij zou daar wel tegen in moeten gaan. Zijn stelling “Wij zijn ons … brein”, (Swaab is pas 71, dus hij kan nog een tijdje voort met alle mogelijke bijvoeglijke naamwoorden op de puntjes) is volkomen terecht, maar wat niet terecht is, is de gevolgtrekking dat daarmee alles vast ligt, dat er geen vrije wil is, dat spiritualiteit onzin is en dat creativiteit volledig te herleiden is tot hersencircuits.

Iedereen weet, en Swaab ook, dat het brein verandert. Je wordt niet geboren met de stelling van Pythagoras in je hoofd; die stelling moet je leren. Als niemand het je uitlegt leer je het niet. Waarschijnlijk zouden in elke generatie een paar mensen de stelling opnieuw ontdekken, maar als je aan iets moeilijkers denkt, ik noem maar wat, de werking van een dieselmotor, dan realiseer je je dat bijna alles wat je weet komt door opvoeding en onderwijs. Het is juist opvallend dat de mens geboren wordt met vrijwel blanco hersenen. Bij dieren wordt elk gedrag dat een voordeel heeft zo snel mogelijk opgenomen in de “harde bedrading” van de hersenen. Evolutie zorgt er voor dat het gedrag instinctief wordt, met minder kosten en minder fouten. De jongen weten bij de geboorte al welke situaties gevaarlijk zijn, welke dingen eetbaar zijn en wat je moet doen om je voort te planten. Men noemt dat het Baldwin-effect.

Maar de mens heeft het Baldwin-effect niet. Een jong mens moet alles leren. In vergelijking met alle andere dieren is bij de mens het tijdvenster waarin je kunt leren extreem opgerekt en beslaat vrijwel het hele leven. Dat heeft het grote voordeel dat je opgewassen bent tegen allerlei nieuwe situaties en kunt omgaan met de enorme complexiteit van de omgeving waarin je opgroeit. Wij hebben een lerend brein.

Dat de mens een lerend brein heeft weet Dick Swaab natuurlijk ook. En hij weet ook dat bij het leren de omgeving van cruciaal belang is. Je leert niet uit jezelf, maar van je ouders, vrienden en leraren. Als de omgeving anders is, is ook het leren anders en dus veranderen de hersenen. De bedrading van de hersenen en de moleculen die opgeslagen zijn in de hersenverbindingen, zijn uitermate flexibel, anders zou je niks kunnen onthouden. Het is zo klaar als een klontje. Waarom benadrukt Swaab dan zo sterk dat alles al bij de geboorte vastligt, dat wij ons brein zijn waarmee we geboren worden?

Het komt volgens mij doordat Swaab de niet-aangeboren kenmerken van ons brein weg definieert. Ons karakter is een gegeven en ligt vanaf onze geboorte vast, zegt hij. Maar door karakter te definiëren als de eigenschappen die bij geboorte vastliggen, heeft hij het probleem verdonkeremaand. De persoonskenmerken die zich tijdens het leven ontwikkelen, onder invloed van opvoeding en onderwijs, vormen geen onderdeel van Swaabs definitie van karakter. Door een ingeperkte definitie te kiezen heeft hij het probleem opgelost, maar het is een schijnoplossing.

Daarom moet Dick Swaab het wel met mij eens zijn: wij zijn niet ons blanco brein bij geboorte, wij zijn ons lerende brein tijdens het leven. Misschien het volgende boek?

Facebook Comments