Vorige week vertelde ik dat ik nog niet klaar was met mijn bezoek aan het Natuurhistorisch Museum in Maastricht, waar ik oog in oog stond met het fossiel van Bèr, de mosasaurus. Bèr was een reptiel verwant aan de huidige varanen. Hij leefde in de zee, in het late Krijt, ongeveer 70 miljoen jaar geleden. De zeebodem kwam later omhoog bij de St. Pietersberg. Nu ligt Bèr in een speciale vitrine in de binnenplaats van het museum omdat zijn kop alleen al zo groot is dat er in de zalen te weinig ruimte was.

Als u het museum bezoekt (wat u zeker een keer moet doen) ziet u bij de vitrine een tekening van het fossiel met de namen van de schedelbeenderen. Dat helpt, want de botten zijn in de loop van de tijd nogal door elkaar geraakt. Achter de kaken ziet u een flink bot liggen en op de tekening staat aangegeven dat dit bot “quadratum” heet. Daar wordt verder geen uitleg bij gegeven. Ook de Nederlandse naam van het bot, “vierkantsbeen”, staat er niet bij. Een argeloze bezoeker zal zich misschien de vraag stellen waarom nu juist dat bot, te midden van de warboel aan beenderen, speciaal aangewezen wordt, nota bene met de Latijnse naam. Die verwondering is volkomen begrijpelijk want behalve biologen heeft niemand ooit van het vierkantsbeen gehoord natuurlijk. Het is bovendien ook niet vierkant; waarom het zo heet weet ik niet. Toch is er een heel interessant verhaal bij te vertellen.

Het vierkantsbeen van een reptiel ligt achter-onderin de schedel. Het vormt samen met een bot in de onderkaak het kaakgewricht. Maar het vierkantsbeen van Bèr is uitzonderlijk groot, meer dan 20 cm lang. Het steekt zo uit dat de kaak heel ver opengesperd kan worden. Doordat het kaakgewricht een stuk onder de schedel ligt kan een enorme bijtkracht uitgeoefend worden. Als u de mosasaurus in de film Jurassic World gezien heeft begrijpt u wat ik bedoel. De onderzoekers van het Maastrichts museum, Rudi Dortangs en Anne Schulp, die het fossiel van Bèr in 2002 beschreven, besteedden speciale aandacht aan het quadratum. Ze hebben uitgerekend dat Bèr de krachtigste beet had van alle zeeroofdieren uit die tijd. Er zwommen toen in de zee ook zeeschildpadden van drie meter lang die soms bijtsporen vertonen en mogelijk tot de prooien van de mosasaurus gerekend moeten worden.

Achter die simpele en onbegrijpelijke vermelding “quadratum” schuilt dus een heel verhaal. Ongetwijfeld zal dat verhaal verteld worden als u een professionele rondleiding krijgt van een van de medewerkers. Maar er zit nog een tweede verhaal aan vast: hoe zit het met ons eigen vierkantsbeen?

Het antwoord is: ons vierkantsbeen zit in het oor. Je mag ook zeggen dat wij geen vierkantsbeen hebben. Ons kaakgewricht maakt geen gebruik van het vierkantsbeen, maar van een ander schedelbot. Het vierkantsbeen is er tussenuit geglipt, samen met het bot in de onderkaak waarmee het scharnierde. Dat is gebeurd bij de reptielengroep waar wij van afstammen. Beide botten zijn bij zoogdieren in het middenoor terecht gekomen. Daar kennen we ze nu als aambeeld en hamer, twee hele kleine botjes die samen met de stijgbeugel de drie middenoorbeentjes vormen. Quadratum werd incus (aambeeld). Door de drie middenoorbeentjes worden trillingen van het trommelvlies versterkt doorgegeven naar het gehoororgaan. Omdat wij er drie hebben kunnen wij beter horen dan de reptielen met hun ene middenoorbeentje. Dat was voor een deel het succes van de zoogdieren.

Dat wij een “oor vol met kaak” hebben is een van de meest krankzinnige maar toch echt ware evolutieverhalen die ik ken. Het kaakgewricht van Bèr zit in ons oor. Bèr kraakte de zeeschildpadden met zijn enorme kaken en wij gebruiken zijn kaakgewricht om naar muziek te luisteren. Is dat niet een mooie illustratie van de eenheid in de natuur?

Facebook Comments