Ik was vorige week met een internationale commissie in de weer om een instituut van Wageningen Universiteit te beoordelen. Dat is een zware klus met veel praten en vergaderen, en bij wijze van afleiding maakten we een excursie naar het natuurgebied de Blauwe Kamer, dat niet ver van Wageningen in de uiterwaarden van de Nederrijn ligt. Vanuit de vogelkijkhut heb je een mooi uitzicht op de aalscholverkolonie, waar ook lepelaars tussen broeden. De Galloway-runderen stonden lekker in het water om verkoeling te zoeken, terwijl een kudde konikspaarden een eindje verderop aan het grazen was, tegen de achtergrond van de Grebbeberg.

Al gauw kwam het gesprek op wildbeheer en ik vertelde over de overlast van ganzen in de Hollandse weilanden, de uitgehongerde grote grazers in de Oostvaardersplassen en de damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen die de tuinen van Zandvoort kaal vreten. Een collega uit Canada vertelde dat hij jaren geleden gewerkt heeft aan een natuurlijk middel om herten op afstand te houden: uitwerpselen van leeuwen. Het lijkt een sterk verhaal zonder wetenschappelijke basis, maar hij had er serieus onderzoek naar gedaan. Sterker nog, een stel collega’s van hem hadden het principe gepatenteerd.

Leeuwen hebben, net als veel zoogdieren, een stel klieren bij hun anus die speciaal ingericht zijn voor de uitscheiding van sterk ruikende chemicaliën. Bij het produceren van de ontlasting wordt een beetje van het spul uit de anaalklieren aan de uitwerpselen meegegeven, waardoor de mest een sterke lucht krijgt. De dieren markeren op die manier hun territorium. Ook beren, bevers, vossen, honden en katten doen dat. Bij sommige zoogdieren ruikt de afscheiding een uur in de wind. Heel bekend is het zogenaamde ottergeil, wat geen geil is maar een geleiachtige smurrie uit de anaalklieren. Otters stinken als een otter. Maar natuurbeheerders zien graag ottergeil, want dat betekent dat de otter niet ver is. Zo werd in mei van dit jaar bekend gemaakt dat de boswachter van Natuurmonumenten op een rietpol in het Naardermeer een kwakje ottergeil gezien had. Klaarblijkelijk is de otter het Naardermeer weer aan het koloniseren, waar hij 50 jaar niet gezien is.

Ook in leeuwenpoep zitten zulke sterk ruikende stoffen. Mijn collega had extracten gemaakt van de uitscheiding van de anaalklieren en de chemische samenstelling opgehelderd. Het gaat om een complex mengsel, wel zo’n 27 verschillende stoffen. Het plan was om die chemicaliën te synthetiseren en dan als spray op de markt te brengen. Ze dachten vooral aan gebruik in de bosbouw, zodat de boswachter de bomen die aangevreten worden door herten zou kunnen inspuiten. Maar ik denk aan de bewoners van de duinstreek. De gemeente Zandvoort gaat een hoog hek plaatsen, begrijp ik, om te voorkomen dat de herten continu door het dorp lopen. En de rechter heeft toestemming gegeven om er elk jaar een paar honderd af te schieten. Maar de gemeentegrens markeren met leeuwenspray, dat is toch veel gemakkelijker?

Je zou denken, herten in Nederland hebben nog nooit een leeuw gezien dus waarom zouden ze bang zijn voor leeuwenlucht? Maar proeven in Engeland, waar ook geen leeuwen voorkomen, wezen uit dat het heel goed werkt. Herten hebben een aangeboren vluchtreactie wanneer ze het aroma van een roofdier ruiken, ook al is het een beest dat ze niet kennen.

“Toch ben ik er niet rijk mee geworden”, zei mijn collega. Wat precies het probleem was, daar ben ik niet achter gekomen, misschien was het gewoon te ingewikkeld om zo’n spray te maken en werd het te duur. In plaats daarvan zou ik denken dat je beter de leeuwenpoep zelf kunt gebruiken. Veel dierentuinen in Nederland hebben leeuwen die elke dag poep produceren. Waarom zou Artis geen geld kunnen verdienen door de leeuwenpoep te verkopen als hertenwerend middel in de Amsterdamse Waterleidingduinen? Ik zie al een mooie toekomst voor een ecologisch bedrijfje.

Facebook Comments