Bij de jaarvergadering van de plaatselijke atletiekvereniging mocht ik een lezing geven over de evolutie van het lopen. Het was vast niet vanwege mijn snelheid op de baan dat ze mij gevraagd hadden want ik loop vrijwel achteraan. Het voordeel van een atletiekbaan is wel dat je na een paar rondjes weer vooraan loopt, totdat je ingehaald wordt. Maar goed, je hoeft niet goed te kunnen lopen om er een lezing over te geven.

De kern van mijn verhaal was dat ons rechtop lopen en zeker het rennen op twee benen, heel bijzonder is. Wij stammen af van een mensaap die niet op twee poten liep maar op vier, waarbij hij zijn voorste poten gebruikte voor de knokkelgang. Dit gedrag is bewaard gebleven bij gorilla, bonobo en chimpansee, de mensapen die het meest aan ons verwant zijn. Wij stammen af van een knokkelganger.

Op welke punten is ons lichaam aangepast om van knokkelganger tweevoeter te worden? Daar weten we veel van want er zijn een groot aantal fossielen gevonden van onze voorouders. Schedels, schouderbladen, bekkens, benen en voeten, overal zie je de aanpassingen. De meeste dingen zijn met kleine stapjes veranderd. De voet werd steeds meer een platform in plaats van een grijpvoet, de tenen kwamen recht naast elkaar te staan, het dijbeen ging een beetje naar binnen staan, de heupgordel werd korter, de rug kreeg een S-vorm en het schoudergewricht verschoof naar de zijkant.

Een bijzondere verandering vond plaats in de aanhechting van de spieren die de benen bewegen. De chimpansee heeft net als wij drie bilspieren: de grote bilspier, de middelste bilspier en de kleine bilspier. De grote bilspier zit bij de chimpansee aan de zijkant. Bij samentrekking beweegt hij het been naar buiten, van het lichaam af. De bioloog noemt dat een abductor. Wij hebben ook een abductorspier maar bij ons is het niet de grote maar de middelste bilspier die dat werk doet. De grote bilspier is bij ons naar achteren verplaatst en hij beweegt het been niet naar de zijkant maar recht naar achteren. Het is de spier waarmee je afzet bij het hardlopen. Die functie is mogelijk geworden doordat de bovenste rand van de heup naar achteren buigt. Je kunt dat bot heel goed voelen onder je lendenen. Het is de aanhechtingsplaats van de grote bilspier.

Overduidelijk is de verplaatsing van de bilspieren een aanpassing aan het lopen op twee benen. De chimpansee maakt bij de knokkelgang intensief gebruik van de spieren die de benen naar binnen en naar buiten bewegen. Bij ons is die functie minder geworden omdat onze benen veel meer recht onder het lichaam staan. De chimpansee waggelt als hij een stukje op twee benen loopt en wij schrijden in rechte lijn voorwaarts, geholpen door de grote bilspier.

Nadat ik dit uitgelegd had bij mijn lezing voor de atletiekvereniging kwam een slimme atleet in het publiek met de volgende vraag: “De middelste bilspier is bij ons dus degene die het been naar buiten beweegt. Die is kleiner dan de grote bilspier. Dat merk ik bij het schaatsen. Zou je door evolutie, na generaties lang veel te schaatsen, de middelste bilspier kunnen versterken?”

Hier had ik nog nooit bij stilgestaan. Inderdaad beweeg je bij het schaatsen het been behalve naar achteren ook met kracht naar de zijkant. Die beweging doet een beroep op de middelste bilspier, die bij ons kleiner is dan de grote bilspier. Voor het rechtop lopen hebben we mooie grote billen gekregen om naar achteren af te zetten, maar daardoor is de beweging naar de zijkant verzwakt. Dus ik moest de vragensteller teleurstellen. Biologisch zijn we meer loper dan schaatser. Als de mens op het ijs was geëvolueerd was het anders gelopen.

Facebook Comments