Ik raakte tijdens een borrel in gesprek met een kennis die een nogal rijk en avontuurlijk leven achter de rug heeft, zoals ze zelf zei. Ze was in veel verschillende landen geweest, had trektochten gemaakt door het oerwoud, door de Sahara, ze had verschillende hoge bergen beklommen en was in talloze hachelijke situaties terecht gekomen, bungelend boven ravijnen, bij inheemse volkeren die elkaar op leven en dood bevochten, tussen wilde dieren die je liever niet wilt tegenkomen, enzovoorts. Indiana Jones was er niets bij.

Interessant is dat ze de tekenen van al die avonturen, als ware het de stigmata van Jezus, nog in haar lichaam droeg. Een klap tegen haar hoofd van de schroef van een buitenboordmotor tijdens het snorkelen, haar pink die er vrijwel af ging toen die bleef haken achter de katrol van een takellijn over het ravijn, van dat soort dingen. Haar hele levensverhaal kon ze vertellen aan de hand van onderdelen van haar lichaam. In veel gevallen was het hersteld en kon je spreken van littekens maar van sommige dingen had ze nog steeds last. Ik zei: “Je moet er een boek over schrijven; het is een prachtige manier om je levensverhaal te vertellen”. Maar dat ging ze niet doen.

Ik vroeg me gelijk af: kan ik zelf zo’n boek schrijven? Hoewel ik best wel veel meegemaakt heb, vind ik zelf, halen mijn reisverhalen het niet bij die van haar. Ik ben een paar keer vreselijk benauwd geweest op berghellingen in Indonesië; mijn reisgenoot was zo bang dat hij helemaal verstijfde en niet meer voor- of achteruit durfde, maar die situaties hebben geen littekens achtergelaten. Op de een of andere manier ben ik kennelijk net voorzichtig genoeg om er zonder kleerscheuren vanaf te komen.

Maar één stigma wil ik u niet onthouden. Midden op mijn achterhoofd heb ik een litteken dat dateert uit mijn kindertijd. Met mijn vrienden van de buurt waren we geregeld in oorlog met een groep jongens een eindje verderop. Geïnspireerd op de televisieserie van Ivanhoe bevochten we elkaar met houten zwaarden. Op een gegeven moment, tijdens een expeditie in het territorium van de andere jongens, werden we verslagen en we vluchtten in paniek naar huis. Eén van de vijanden zat mij achterna en stak met zijn zwaard in mijn achterhoofd. Mijn moeder zal er wel een pleister op geplakt hebben, het bloedde niet erg maar het bleef een beetje etteren. Ook dat ging na verloop van tijd over, maar het wondje ging niet helemaal dicht en het was altijd een gevoelig plekje. Als kind had je vroeger een opgeschoren kapsel, dus dat teken op mijn achterhoofd was goed zichtbaar, al kon ik het zelf niet zien.

Jaren later zag de huisarts dat plekje een keer, hij keek goed en haalde er met een pincet een splinter uit van een centimeter lang. Ik heb misschien wel 10 jaar rond gelopen met een splinter in mijn achterhoofd. Daarna trok het plekje dicht maar het litteken is nog altijd voelbaar. Het zit precies op mijn inion, een knobbeltje op de achterhoofdschedel, een herkenningspunt voor schedelmeters, in het midden van de rand waar de nekspieren aanhechten.

Ik geef toe, het is niet zo spectaculair als de avonturen van mijn vrouwelijke kennis en het haalt het zeker niet bij de spijkergaten in de handen en voeten van Jezus, maar het is toch een echt stigma. Zo kan ik nog een stuk of tien lichaamsdelen bij mezelf aanwijzen waar een verhaal aan vast zit. Maar die verhalen houd ik voor me want je weet maar nooit of het er nog eens van komt om een boek te schrijven over het menselijk lichaam aan de hand van tekenen uit een levensverhaal.

Facebook Comments