“Ik zoek even een steen”, zei ik tegen Katja toen we naar het nieuwe universiteitsgebouw liepen. Op de campus liggen altijd wel een paar losse stenen want er wordt continu gewerkt. Ik moest college geven in de theaterzaal van het nieuwe gebouw, een prachtige zaal die ook geschikt is voor toneel, met een projectiescherm van 5 bij 10 meter en steil oplopende stoelen.

Als je daar staat voor de studenten ga je je automatisch gedragen alsof je in het theater bent. En colleges voor grote groepen zijn ook geschikt om theatrale elementen in te verwerken, want dat houdt de aandacht vast. De groep is te groot om mee te discussiëren. Als iemand op de voorste rij een vraag stelt haakt de rest af. De grote zaal doet een beroep op je capaciteiten als toneelspeler.

Nu vond ik vroeger, op de middelbare school, toneelspelen erg leuk. We speelden klassieke stukken. Mijn hoogtepunt bereikte ik met de vertolking van de vrek Harpagon in het beroemde stuk van Molière. We hebben zelfs met “Eindspel” van Samuel Becket nog een eens een interscholair toernooi gewonnen. Het is lang geleden, maar iets van een toneelspeler in me is toen gevormd.

In de zaal legde ik de steen op de grond, daarnaast mijn horloge. Het college ging over het menselijk lichaam, hoe mooi dat in elkaar zit. Alles is op elkaar afgestemd en bovendien van een buitensporige complexiteit. Je snapt niet dat zoiets ingewikkelds als het oog, de werking van de cel en het aflezen van het DNA, heeft kunnen ontstaan. Het lijkt alsof iemand met verstand van zaken, een intelligente ontwerper, het menselijk lichaam in elkaar gezet heeft. En geldt dat niet voor de hele natuur? Toch is dat niet zo. Het komt door de evolutie.

“Stel je voor”, zei ik, “dat ik over een heideveld loop. Tijdens het wandelen stoot ik plotseling mijn voet aan een steen.” Ik pakte de steen op. “Zou ik dan mezelf afvragen: hoe komt die steen daar terecht? Nee ik stel me geen vragen, die steen ligt er gewoon.” Ik legde hem weer neer. “Maar nu, de volgende dag, loop ik weer over de hei en, oei!, ik stoot mijn voet. Ik raap op wat voor me ligt en het is een horloge! Zal ik nu aannemen dat dat horloge er gewoon ligt? Nee dat horloge is door iemand gemaakt, iemand die de werking van een horloge begreep en het zo in elkaar heeft geknutseld dat het de tijd aangeeft. Het horloge is het bewijs voor de maker, er is een horlogemaker, een intelligente ontwerper.”

Mijn toneelstukje was ontleend aan een boek van de Engelse natuurfilosoof William Paley, uit 1802. Het boek heet “Natuurlijke Theologie”. Het staat vol met voorbeelden die moeten aantonen dat er in de natuur een hogere macht werkzaam is, een Goddelijke invloed. De natuur zelf is het bewijs voor het bestaan van God.

Dit argument van Paley is door de Engelse bioloog Richard Dawkins uitvoerig becommentarieerd en naar de prullenmand verwezen. Namelijk, zegt Dawkins, zelfs een blinde horlogemaker kan een horloge maken. Op de tast vijl je in het wilde weg asjes en tandwieltjes en je prutst net zo lang totdat je iets hebt dat werkt. Het hoeft niet gelijk goed te werken; als je iets hebt dat loopt, ga je het in kleine stapjes verbeteren. Zo kun je de meest ingewikkelde dingen maken, zelfs ingewikkelder dan een horloge. Het kost veel tijd, maar die is er in de evolutie.

Dit verhaal vertel ik om de studenten het principe van evolutie door natuurlijke selectie uit te leggen. De steen en het horloge zorgen voor het theatrale effect. De bedoeling is dat de studenten het daardoor beter onthouden. Toen we na het college terugliepen gooide ik de steen over het hek weer terug op het bouwterrein. De bouwvakkers maken er iets moois van.

Facebook Comments