We weten dat de spiritueel leider van het Tibetaanse Boeddhisme, de Dalai Lama, niet gekozen wordt, maar gevonden. De huidige Dalai Lama, de immer goedlachse Tenzin Gyatos, is de veertiende op rij en een reïncarnatie van de dertiende. Hij werd in 1937 gevonden door Tibetaanse monniken toen hij 2 jaar was, besteeg de troon op vierjarige leeftijd en werd monnik op zijn zesde. Inmiddels 83, heeft hij zich ontwikkeld niet alleen tot spiritueel maar ook politiek leider van het Tibetaanse volk. Vanwege zijn geweldloze inzet voor een onafhankelijk Tibet kreeg hij in 1989 de Nobelprijs voor de vrede.

De Dalai Lama raakt een snaar bij veel mensen, ook bij mij. Ik ben helemaal geen boeddhist en ik weet er ook weinig van, maar die lama met zijn fundamentele geweldloosheid, oprechte vriendelijkheid en spirituele wijsheid, daar zouden we er meer van moeten hebben. Paus Franciscus komt een eind in de richting, maar die moet een hele rotte kardinalenclerus met zich mee torsen. En een lama in Europa zou ook tegenwicht kunnen bieden aan de legers van ontevreden kankeraars, die, aangemoedigd door populistische politici, meer en meer het beeld van de politiek gaan bepalen in Nederland en de wereld. Maar goed, ik dwaal af.

Ik kwam er deze week achter dat er een stukje hard-core biologie zit in die Dalai Lama. Hoe vinden de monniken een nieuwe geestelijk leider en waardoor weten ze zo zeker dat het de reïncarnatie is van de overledene? De hele procedure is gehuld in mythische nevelen en dat moet natuurlijk ook zo zijn, want dat maakt het Boeddhisme juist zo aantrekkelijk. Een groep monniken wordt op pad gestuurd nadat ze via een signaal van boven een idee hebben gekregen in welke richting te zoeken. Dan gaan ze van dorp tot dorp om te kijken naar peuters die bepaalde lichamelijke kenmerken vertonen. Wat die kenmerken precies zijn is niet helemaal duidelijk, maar een ervan werd me geopenbaard tijdens mijn colleges voor de HOVO-cursus toen ik het had over de kieuwbogen.

Het menselijk embryo heeft tussen de derde en achtste week een zestal bogen van kraakbeen, links en rechts. Deze structuren doen sterk denken aan de kieuwbogen van vissen en ze worden ook bij de mens zo genoemd, hoewel het bij ons niks met kieuwen te maken heeft natuurlijk. Alle gewervelde dieren hebben die bogen en ze gaan zelfs terug op onze ongewervelde voorouders van 540 miljoen jaar geleden. Bij vissen worden ze gebruikt om de kieuwen aan op te hangen, maar bij de zoogdieren wordt de hele halsstreek verbouwd en krijgen de kieuwbogen allerlei nieuwe functies, o.a. in de kaak, het middenoor en het strottenhoofd. Het is een beroemd voorbeeld uit de evolutiebiologie dat keihard bewijst dat wij als mens een gemeenschappelijke voorouder hebben met alle gewervelde dieren.

Maar soms gaat er met al dat geschuif van beenderen en botjes wel eens wat mis. Een bekende aangeboren afwijking is een halsfistel, een met vocht gevulde cyste die naar buiten kan openen. Die cyste krijgt het embryo vanuit de tweede kieuwboog, of eigenlijk de kieuwspleet die er achter ligt. Soms is er ook een verbinding tussen de keelholte en de buitenwereld, net als bij de vissen. De afwijking is niet ernstig en kan goed chirurgisch verholpen worden. Maar behalve een halscyste is er bij baby’s die deze afwijking hebben ook een klein kuiltje of knobbeltje te zien, links en rechts. Volgens een van mijn HOVO-cursisten is dit nu een van de geheime kenmerken waar de monniken een Dalai Lama aan herkennen.

Dat de Dalai Lama niet alleen een groot spiritueel leider is maar ook het levend rondlopende bewijs voor de evolutie van de mens, dat vond ik vorige week een revelatie waar ik even stil van werd.

Facebook Comments