Al jaren ben ik gefascineerd door het Proustiaanse verschijnsel: de herinnering die opgewekt wordt door een geur of een visuele prikkel gekoppeld aan een emotionele belevenis. Het is genoemd naar Marcel Proust, een onder literatuurliefhebbers beroemde Franse schrijver uit het begin van de twintigste eeuw. Ik vind het vooral interessant omdat er een biologische verklaring voor is, iets wat de letterkundigen die over Proust schrijven onvermeld laten.

In een van de beroemdste scenes uit het boek van Proust krijgt de schrijver die op een koude winterdag thuiskomt, van zijn moeder een kopje lindebloesemthee met een koekje erbij. Het koekje is een madeleine. Hij doopt het in de thee, brengt het naar zijn mond en op het moment dat de madeleine zijn gehemelte beroert krijgt hij een heel sterke herinnering aan een soortgelijke ervaring toen hij een kopje thee kreeg van zijn tante in het dorp Combray. Hij wordt vervuld van gelukzaligheid en ziet de tuin van zijn tante, de mensen van het dorp, hun huisjes en de kerk, de hele wereld eromheen, alles uit zijn kopje lindebloesemthee komen.

Mijn biologische verklaring voor de Proustiaanse ervaring is dat geuren en herinneringen sterk gekoppeld zijn omdat ze verwerkt worden in onderdelen van de hersenen die nauw met elkaar samenwerken. De hersenkern waarmee mensen en dieren herinneringen vastleggen heet de hippocampus. De kern waarmee geuren worden waargenomen ligt er vlak tegenaan. Aan elke ervaring koppelt de hippocampus een plaats, een tijd en zintuiglijke informatie, met name een geur. Vervolgens wordt die ervaring als geheugenspoor elders in de hersenen opgeslagen. Als je die geur later opnieuw opsnuift komt onwillekeurig het complete geheugenspoor weer tevoorschijn, inclusief de emotie die eraan vastzit.

Het is een oud systeem dat vooral bij zoogdieren sterk ontwikkeld is. Zoogdieren oriënteren zich heel erg met geuren. Je hoeft maar een hond of een muis te zien snuffelen om dat te begrijpen. Bij de mens is het gezichtsvermogen veel belangrijker geworden maar desondanks hebben ook wij nog steeds iets van ons zoogdierverleden behouden. Ook bij ons worden geuren sterk gekoppeld aan herinneringen. Dat is de basis van het Proustiaanse effect, volgens mijn bescheiden theorie.

Ik vertelde dit verhaal vaak bij mijn college over de evolutie van de hersenen, waarbij ik Marcel Proust aanhaalde met zijn madeleine. Maar tegelijkertijd zocht ik naar een nieuw verhaal. En ja, dat is er! In het begin van dit jaar is er een nieuw boek van Proust gepubliceerd, de “Vijfenzeventig vellen”. Het manscript is meer dan 100 jaar verborgen gebleven en pas in 2018 ontdekt in de nalatenschap van een Franse uitgever. Het bestaat uit tekstfragmenten, die Proust in 1908 geschreven heeft als vingeroefening voor zijn latere, magnifieke werk “Op zoek naar de verloren tijd”.

Maar het leuke voor mij is dat in het eerste verhaal van de 75 vellen een scene voorkomt die, uitgebreider dan in het grote boek, ook precies het Proustiaanse effect beschrijft. De jonge schrijver is met zijn familie op vakantie, in een landelijke omgeving. Hij is nog jong dus hij moet vroeg naar bed, terwijl de volwassenen nog met een wijntje in de tuin zitten. Hij hoopt zo dat zijn moeder nog even met hem meegaat om hem welterusten te zeggen, maar dat gebeurt niet altijd. Hij moet dan in zijn eentje, met een kaars in zijn hand, de trap op naar zijn slaapkamer. Terwijl hij omhoogloopt ruikt hij de geur van het vernis op de trap. Die geur associeert hij vervolgens heel sterk met het verlangen naar zijn moeder en het droevige gevoel van alleen naar bed gaan. Die trap oplopen en de geur van het vernis ruiken is een kwelling geworden. Ook hier is de herinnering heel sterk gekoppeld aan een specifieke sfeer, een emotie die wordt opgeroepen door die speciale geur. Ik heb dankzij de 75 vellen weer een Proustiaans voorbeeld erbij om een stukje evolutiebiologie te illustreren.

Facebook Comments