Als u uw oor te luisteren legt tegen de bodem, hoort u dan de bitterzoete klanken van het bodemorkest? Hoort u hoe de mijten op de bugel spelen en de aaltjes op een trompet? De saxofoon die u hoort wordt geblazen door springstaarten, de spinnen bespelen een cello en de vliegenlarven een fluit. De slakken slaan op de pauken en een koor van bacteriën zingt erbij. Maar in het midden wordt de solo gespeeld door de regenworm op zijn trombone. In de bodem zit een orkest van allerlei klein grut dat met elkaar een symfonie speelt: de bodemharmonie.

Ik heb dit beeld uit een onder bodembiologen even bekend als raadselachtig artikel van de Engelse onderzoeker John Satchell. Zijn publicatie uit 1977 heeft als titel: “Regenwormen, de trombones van het graf”. Het is de weergave van zijn afsluitende lezing bij het congres van bodembiologen in het Zweedse Uppsala in 1976. Ik ben daar zelf jammer genoeg niet bij geweest, ik was nog student in die tijd, maar mijn iets oudere collega op de VU heeft het meegemaakt.

“Die lezing van Satchell was fascinerend” zei hij. “Hij sprak in een soort deftig en poëtisch Engels en hield een verhaal waar geen touw aan vast te knopen was. De afsluitende lezing van een congres is meestal een samenvatting van nieuwe trends, plus een vooruitblik naar de toekomst, maar dit was heel iets anders. Het was een soort visioen van hoe wetenschap en kunst elkaar beter konden vinden. Hij haalde Robert Pirsig aan, met zijn boek “Zen en de kunst van het motoronderhoud”, om te laten zien hoe techniek, wetenschap, meditatie en filosofie in elkaar kunnen overvloeien. Maar wat hij bedoelde met die regenwormen en de trombones van het graf was ten ene male onduidelijk. We dachten dat hij onder invloed was, misschien had hij de avond ervoor, na het congresdiner, een beetje te veel hasj gerookt of had hij een pilletje LSD genomen?”

Het was niet raar dat mijn collega dit dacht, want in die tijd kon je achterin de collegezaal nog een sjekkie opsteken en de studentenkamer stond blauw van de hasj-walm. Daar discussieerden we verwoed over de rol van de Amerikanen in de Vietnamoorlog, over wat Eugene met die bijl deed en meer van dat soort dingen die toen erg belangrijk waren.

Ik kwam het artikel van Satchell weer tegen bij het schrijven van mijn boek over ongewervelde dieren in de bodem. Er zit een tekening bij van het dierenorkest, een beetje in de stijl van Jeroen Bosch. Ook Jeroen Bosch past helemaal in de sfeer van die tijd. De eerste LP van de Amerikaanse psychedelische-folkgroep Pearls Before Swine, een van mijn favorieten indertijd, had een deel van het schilderij “De tuin der lusten” op de hoes. Maar wat bedoelde Satchell met regenwormen die op een trombone spelen?

Ik kan het hem niet meer vragen, want hij is in 2003 overleden, op 80-jarige leeftijd. Hij was na zijn pensionering actief in zijn woonplaats, het plaatsje Kendal aan de rand van het Lake District in het Engelse graafschap Cumbria. Hij heeft vier boeken over de geschiedenis van het gebied geschreven en richtte zelfs een lokaal museum op. “Het was een man met vele talenten en een brede belangstelling” zei zijn vrouw in een interview met The Westmorland Gazette van 31 augustus 2003. Maar wat Satchell bedoelde met die trombones wordt uit het interview niet duidelijk.

Er zit daarom niets anders op dan zelf te luisteren. Leg ’s morgens vroeg, als het nog stil is, in de tuin uw oor tegen de grond, luister naar de harmonie van bugel, trompet, saxofoon, cello, fluit, pauken en het kinderkoor. Daarbovenuit, luid en duidelijk, schallen de trombones van het graf, bespeeld door de regenwormen. Dan begrijpt u het: het is een aubade, een hulde aan de koning van de bodem, de regenworm.

Facebook Comments