Omstreeks deze tijd, een jaar geleden, kreeg het virus mij te pakken. Ik bedoel dan niet het coronavirus maar het tekenencefalitisvirus dat ik opliep bij een excursie in het noordoosten van Polen. Ik weet niet zeker of het echt van een teek kwam, want ik heb geen teek gezien, wel een heleboel vreselijk agressieve steekmuggen. Ik had ongeveer 3 weken lichte griepachtige verschijnselen die later, toen ik al thuis was, overgingen in algehele zwakte, evenwichtsstoornissen en tenslotte een epileptische aanval. Ik had geluk want het sterfterisico van dit virus is 2% voor de Europese variant. Omdat wij vlak bij de grens met Wit-Rusland waren kan ik zelfs de Russische variant gehad hebben die een sterftekans geeft van 20%. Maar ik was slechts 2 dagen van de wereld en na een paar weken was ik al hersteld.

Later las ik een artikel in de Telegraaf over een vrouw die haar zoon verloren had aan hetzelfde virus. Hij had het in precies dezelfde situatie als ik opgelopen bij veldwerk in Zweden. Alleen was deze jongen in coma geraakt en is niet meer bijgekomen. Toen ik dit verder ging uitzoeken heb ik me erover verbaasd dat dit gevaarlijke virus in Nederland haast niet bekend is, ook niet bij huisartsen en neurologen. Er valt wel iets tegen te doen want er is een vrij goed vaccin, waarmee boswachters en andere mensen die beroepshalve veel in de natuur zijn ingeënt kunnen worden.

Mijn Poolse ervaring van vorig jaar heeft mijn interesse voor virussen danig aangewakkerd en dat is, naast de coronacrisis van dit moment, ook de reden dat ik nu al wekenlang in deze column over virussen schrijf. Virussen zijn een fascinerend maar slecht begrepen deel van de biologie. Als ik nu was begonnen aan mijn biologiestudie was ik vast en zeker infectieziekten en virologie gaan studeren. Ik denk dat de Nederlandse universiteiten zich na deze coronacrisis ook kunnen voorbereiden op een golf van jongelui die iets met virologie willen doen. En er is nog zoveel uit te zoeken!

Het tekenencefalitisvirus is niet verwant aan het coronavirus maar heeft daar wel een belangrijke eigenschap mee gemeen: beide virussen hebben RNA als genetisch materiaal. Ook het gelekoortsvirus, het denguevirus en het zikavirus behoren tot deze categorie. RNA is een molecuul dat lijkt op DNA, het erfelijk materiaal in ons eigen lichaam. Wij hebben ook RNA maar we gebruiken dat niet als genetisch materiaal, maar om allerlei klussen in het lichaam te doen. Het DNA zit stil en geeft de orders; het RNA voert die orders uit, samen met de eiwitten. Zo zijn de taken verdeeld geraakt, maar waarschijnlijk was het vroeger, bij het ontstaan van het leven, heel anders. In die tijd, 4 miljard jaar geleden, was er nog geen DNA, alleen RNA. Een mengsel van allerlei RNA-moleculen klotste rond in de zee. Men noemt het de RNA-wereld, een idee dat in 1986 door de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Walter Gilbert naar voren is gebracht. RNA kan namelijk drie taken tegelijk uitvoeren: het werkt als opslag van erfelijke informatie, als boodschappenbezorger en ook als werkpaard in de cel, om allerlei reacties te versnellen. Die taken zijn later gesplitst over DNA, RNA en eiwitten, is het idee.

Maar nu weer terug naar de virussen. Er is een theorie die zegt dat RNA-virussen afstammen van de RNA-wereld, toen het leven zoals wij dat nu kennen nog niet bestond. Zodra het echte leven ontstond dat DNA ging gebruiken, zijn die RNA-virussen gaan parasiteren op het DNA-leven en dat doen ze al 4 miljard jaar. Wat bij ons binnendringt is een wereld van 4 miljard jaar geleden. Al die tijd hebben die virussen geleefd op talloze gastheren en daar stukjes van meegenomen, totdat wij op het toneel verschenen en ze ook op ons gingen parasiteren. Het coronavirus en het tekenencefalitisvirus herinneren ons aan de oorsprong van het leven.

Facebook Comments