In mijn colleges over evolutie van de mens stop ik altijd bij de landbouwrevolutie die 10.000 jaar geleden plaatsvond en begon in het Midden-Oosten. Het is een markant moment in de geschiedenis van de mensheid, zo markant dat sommige wetenschappers zeggen dat je de menselijke historie in twee periodes kunt verdelen: alles wat vóór de landbouwrevolutie gebeurde en alles wat erna gebeurde. De mens ging op één plaats wonen, dieren houden en het land bewerken in plaats van rond te zwerven, een totaal andere levenswijze.

Ook de Israëlische historicus Yuval Noah Harari behandelt de landbouwrevolutie in zijn beroemde boek “Sapiens” en hij voegt er aan toe dat het geen grote stap voorwaarts was, zoals veel mensen denken. Het was andersom: de mens werd een slaaf van zijn landbouw. In plaats van een lekker lui leventje te leiden, zoals de jager-verzamelaar-volkeren voor die tijd, moest hij werken in het zweet des aanschijns om het land te ploegen, te zaaien en te oogsten. Bovendien was de oogst erg onzeker, alles kon zomaar opgegeten worden door wilde dieren of verloren gaan door ziektes; de opslag van de oogst in schuren trok allerlei ongedierte aan en zijn huisdieren zaten vol ziekteverwekkers die ook nog eens konden overspringen op de mens.

Toch was de landbouwrevolutie zonder meer een succes, want na verloop van tijd zijn vrijwel alle volkeren ter wereld landbouwers geworden; de nomadische jager-verzamelaars werden verdrongen naar marginale gebieden. De vraag is: als de mens er alleen maar ongezonder van werd, waarom ging hij dan landbouw bedrijven?

De klassieke verklaring, die ook Harari bespreekt, is dat de landbouw de mens in staat stelde om snel in aantallen toe te nemen. De landbouw is volgens hem een val waar de mens in trapte en waar hij zich niet meer uit kon bevrijden. Maar volgens mij klopt deze redenering niet. Harari’s verklaring stelt dat het goed was voor de soort, maar als het nadelig was voor de individuele landbouwer kan het volgens de gangbare evolutietheorie niet van de grond komen.

Een alternatieve verklaring die me altijd heeft aangesproken en die ik elk jaar trouw behandel zonder er veel verder mee te komen, is het “feestmodel” van de Canadese archeoloog Bryan Hayden. In zijn redenering was de landbouwrevolutie een gedragsverandering die begon met genotsmiddelen, niet met nuttige landbouwproducten zoals tarwe en rijst, maar met delicatessen zoals cacao en koffie. Op plekken waar deze planten groeiden ontstond sociale ongelijkheid doordat sommigen zich het gebruik toe-eigenden; vervolgens ging het stamhoofd bij feestelijke en ceremoniële gelegenheden de genotsmiddelen tonen en met een groepje consumeren. Het werd het iets waar mensen zich goed bij voelden en wat ze graag wilden hebben.

Ik vond het altijd een prachtig verhaal van die meneer Hayden maar of het waar is? Totdat ik vorige week las over presentaties op een archeologisch congres in München. Een bedrijf uit Australië was er in geslaagd om minuscule restanten van opium aan te tonen in potten van 3000 jaar oud, gevonden op Cyprus. En een Italiaanse onderzoeker vertelde over zijn werk in Syrië, bij de oude stad Ebla, waar hij een paleis aantrof van 4000 jaar oud met een keuken die ingericht leek voor de productie van medicijnen of hallucinerende middelen. We weten ook dat het kweken van cannabis in Centraal Azië teruggaat op een periode vóór de landbouwrevolutie, 12.000 jaar geleden. De Yamnaya-nomaden brachten de cannabis naar Europa.

Nam de mens eerst een kopje koffie met een chocolaatje en ging toen een jointje roken en wat opium schuiven alvorens op het idee te komen tarwe te verbouwen? Bij nader inzien lijkt me dit een betere verklaring dan Harari’s stelling dat de landbouwrevolutie een evolutionair succes was voor Homo sapiens maar een ramp voor het individu.

Facebook Comments