“Vertel eens iets leuks over virussen, altijd maar dat ellendige coronanieuws” zei iemand tegen mij. Valt er iets leuks te vertellen over virussen? Ja een heleboel.

Ik moet eerst teruggaan naar de tijd dat mijn vader nog bloembollenkweker was, een puur Nederlands beroep. Tulpen! Ik heb er wat uurtjes in zoet gebracht. In het voorjaar begon het koppen. Tegenwoordig wordt dat machinaal gedaan maar toen ik jong was had je een mand op een stalen pen, die je voor je in de grond stak. De bloemen (nog in knop) kopte je stuk voor stuk en gooide ze in de mand. Het was zaak geen bloemblaadjes te laten vallen want dat leverde weer broeinesten op voor schimmelgroei. Sta voor stap werkte je naar het eind van het land, een stuk of wat regels breed. Dat lange krom staan was natuurlijk een ramp voor je rug, maar goed, we waren jong en sterk.

Na het koppen moesten de bollen een tijdje groeien en dan volgde in juni het rooien. Dat was iets leuker werk, maar ook zwaar want je kroop in een speciale kruipersbroek met je handen in de scherpe grond om de bollen te rapen die je vader met de 12 pk Agria vrijgeploegd had in de lange, lange regel. Van die tulpen ben ik sterk, geduldig en gedisciplineerd geworden.

Tussen het koppen en het rooien ging mijn vader viruszoeken. Tulpen hebben last van tulpenbreekvirus, dat overgedragen wordt door bladluizen. Er werd ook gespoten tegen bladluis maar toch was het viruszoeken nodig om er zeker van te zijn dat er geen enkele zieke plant in de tulpen zat, want dat virus gaat ook in de bol zitten. De kwaliteit van de tulp die uit een geïnfecteerde bol komt is minder: de tulp groeit slecht en gaat eerder slap hangen. De opkoper van de bollen wil een partij alleen hebben als die gegarandeerd vrij is van virus. Dus liep mijn vader urenlang door de tulpen om viruszieken te vinden. Je herkent ze aan een streping op het blad: dunne witte lengtestrepen, een beetje vaag; het blad is ook iets smaller dan gewoonlijk. Het is een secuur werkje, dat je niet kon overlaten aan de schooljongens die wij waren.

Maar nu komt het: die witte streping zet zich voort in de bloem en heel vaak krijg je daar mooie kleuren van. In de zeventiende eeuw heerste in Nederland de “tulpenmanie”. Er was een tulp met de naam “semper augustus” (“eeuwig verheven”) met een prachtige rode kleur, onderbroken door witte strepen, een juweeltje om te zien. Mensen waren zo gek op die tulp dat ze er kapitalen voor over hadden om hem in huis te hebben. Op den duur kostte één bol 6000 gulden, wat in die tijd de prijs van een huis was (de duurste tulp van mijn vader was 13 cent, herinner ik me nog). De mensen hadden in 1637 wel door dat je de semper augustus-tulp niet goed kon houden, want het plantgoed deed het een stuk slechter en na een paar keer was de tulp uitgeput. Maar dat droeg juist bij aan het mysterie: de tulp gaf haar verheven schoonheid prijs, maar ging er zelf aan onderdoor. Niemand had in de gaten dat het eigenlijk een zieke tulp was, geïnfecteerd door een virus. Dat werd pas na de Eerste Wereldoorlog ontdekt.

Het tulpenbreekvirus, afgekort TBV, behoort tot de groep van de potyvirussen, net als SARS-CoV-2 behoort tot de groep van de coronavirussen. Potyvirussen komen bij veel planten voor, onder andere ook bij aardappel (potato). Ze veroorzaken allerlei effecten, maar bij tulp en lelie verstoren ze de aanmaak van kleurstoffen, op een onregelmatige manier, waardoor een subliem vlekkenpatroon ontstaat in de bloem. Tegenwoordig worden tulpen speciaal geselecteerd op zulke kleurpatronen, niet door middel van virusinfecties, maar door veredeling. Maar zo mooi als het tulpenbreekvirus een tulp kan maken, dat zullen we niet gauw weerzien.

Facebook Comments