Naarmate het onderwijs beter wordt, neemt de ongelijkheid toe. Dat is een moeilijk verteerbaar gegeven waar biologen mee worstelen die betrokken zijn bij discussies over gelijke kansen in het onderwijs. Toch is er een manier om er mee om te gaan.

Het is een onmiskenbaar feit dat bepaalde aspecten van het intelligentiequotiënt een erfelijke basis hebben. Er is zelfs een vrij sterke erfelijke invloed; schattingen van de erfelijkheidsgraad variëren van 60% tot 80%, dat wil zeggen dat meer dan de helft van de scores op IQ-testen die gedaan worden onder kinderen van 11 jaar, toe te schrijven is aan verschillen in genetische bagage die de kinderen van hun ouders hebben meegekregen.

Maar natuurlijk, een IQ-score is maar een getal, de uitkomst van een test, die wel iets maar niet alles zegt over iemands maatschappelijk succes. Dat hangt ook af van discipline, doorzettingsvermogen en sociaal inlevingsvermogen, om maar een paar dingen te noemen. In de huidige maatschappij zijn die andere zaken misschien zelfs belangrijker geworden dan ze vroeger waren, omdat de maatschappij zo ingewikkeld is dat doortastend optreden en creativiteit minstens zo cruciaal zijn als intelligentie.

Maar waarom zou de erfelijkheid van intelligentie toenemen als het onderwijs verbetert? Dat kom doordat het begrip erfelijkheid relatief is. Je kijkt naar de mate waarin erfelijke aanleg een rol speelt, ten opzichte van het geheel aan verschillen tussen kinderen. Die verschillen worden ook beïnvloed door de gezinssituatie, de mate waarin kinderen door hun ouders gestimuleerd worden of deelnemen aan het sociale leven, om maar wat te noemen. In arme landen, waarin kinderen op jonge leeftijd al ingezet worden in productiewerk of het huishouden, waarbij de slimme kinderen niet de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen, worden de schoolprestaties voor een groot deel bepaald door afkomst en thuissituatie. De erfelijke aanleg is minder van belang. Naarmate je beter onderwijs geeft, worden de milieu-invloeden weggenomen, zowel arme als rijke kinderen kunnen naar school en wat overblijft zijn de erfelijke verschillen. De mate van erfelijkheid die je meet als scores op IQ-testen neemt toe.

Uiteraard is dit allemaal erg simpel gesteld. De erfelijkheid van intelligentie is een ontzettend ingewikkeld onderwerp waar veel onderzoek naar gedaan is. Er zijn honderden genen bij berokken, waarvan bovendien het effect afhangt van de omstandigheden. Ondanks de hoge erfelijkheid is er nog nooit een gen gevonden dat je intelligentie bepaalt. Het is een samenspel van een groot aantal verschillende genen die bovendien verschillend reageren op uitwendige omstandigheden. De uiterlijk waarneembare erfelijke verschillen kunnen maar voor een deel teruggevoerd worden op verschillen in het DNA. De genetici spreken van een “erfelijkheidskloof”.

Nu zal dit veel lezers een zorg zijn. De reden dat ik dit desondanks onder uw aandacht breng is het voortdurende gehamer op het inkomen van de ouders als verklarende factor voor onderwijsprestaties. Kinderen van ouders met een laag inkomen beginnen al in de eerste klas met een achterstand die ze niet meer inhalen. Dat stond in het rapport “Ongelijkheid van het jonge kind” van het Centraal Planbureau. Maar dat inkomen verband houdt met schoolprestaties betekent niet dat het de oorzaak is. Het is bijvoorbeeld overbekend dat mensen met een laag inkomen gemiddeld korter leven dan mensen met een hoog inkomen. Maar het is echt niet zo dat een hoog inkomen ervoor zorgt dat je langer leeft. Een lang leven wordt bevorderd door zaken als leefstijl en biologische aanleg. Dat is ook zo met het onderwijs. Daarom pleit ik ervoor om het aanvoeren van inkomen als verklarende factor voor onderwijsprestaties kritisch te bekijken. Dat heeft namelijk ook stigmatiserende effecten. Je moet kijken naar causale verbanden, niet naar correlaties. En het onderwijs moet inclusief zijn, dat wil zeggen, zonder aanziens des persoon het maximale uit ieder kind proberen te halen, maar ook accepteren dat er dan biologische verschillen overblijven.

Facebook Comments