In Teylers Museum aan het Spaarne in Haarlem zijn op dit moment etsen en tekeningen van Rembrandt te zien maar de kleine tentoonstelling in het boekenkabinet die in het teken staat van de honderdste sterfdag van Ernst Haeckel vond ik minstens zo interessant. Haeckel! De beroemde bioloog uit 1900 die ik ken van “das Biogenetische Grundgesetz”. Als je dat Duitse woord eenmaal hebt horen uitspreken door je biologieprofessor en een paar keer herhaald hebt onder je medestudenten (“wat zegt hij nou?”) vergeet je dat je leven niet meer.

Haeckel is overleden op 9 augustus 1919 dus wat is er passender, op 9 augustus 2019, dan een lofzang op deze grote Duitse bioloog. Haeckel was een aanhanger van Charles Darwin en verspreidde het gedachtengoed van Darwin in Europa. In Engeland brabbelden ze een raar taaltje dat moeilijk te verstaan was; het Duits had toendertijd veel meer aanzien in de wetenschap, daarom is Haeckel zo belangrijk geweest voor de biologie.

Tegenwoordig denkt iedereen dat de evolutietheorie is uitgevonden door Charles Darwin en die man wordt daarom als een halve heilige vereerd onder biologen en niet-biologen, maar we moeten niet vergeten dat Darwin alleen het principe van natuurlijke selectie geformuleerd heeft. Hij had geen goed idee van erfelijkheid en ontwikkeling. Darwin was meer wat je tegenwoordig een ecoloog zou noemen, iemand die het veld in gaat en de wonderen van de natuur beschrijft, terwijl de Duitse biologen Haeckel en Weismann zoölogen waren, die keken hoe dieren in elkaar zaten en hoe ze werkten.

Haeckel bracht de ontwikkelingsbiologie in de evolutietheorie. Hij bestudeerde hoe een ei een embryo wordt, daarna een larve en vervolgens een volwassen dier. Opvallend is dat de embryonale ontwikkeling een verloop laat zien dat lijkt op een herhaling van de evolutie. Wij zijn allemaal begonnen als ei in onze moeder, bevrucht door onze vader en toen als klontje cellen ingenesteld in ons moeders baarmoeder. Een paar dagen later leek ons kleine embryootje sprekend op een kikkervisje. En het rare is, dat gebeurt niet alleen bij ons, maar bij alle zoogdieren, zelfs bij vogels en reptielen. Dit was Haeckels “biogenetische grondwet”: de embryonale ontwikkeling is een verkorte herhaling van de evolutie;we beginnen als visje, dan worden we een amfibie, vervolgens een reptiel en een zoogdier en daarna komen de menselijke kenmerken tevoorschijn.

Haeckel was niet alleen een groot bioloog, maar ook een ongekend kundige illustrator. Dat was ook de belangrijkste reden voor Teylers Museum om aandacht aan Haeckel te besteden. Hij maakte platen van algen, zeeanemonen, zakpijpen, zeesterren, zo mooi dat het gewoon kunstwerken zijn. Hij bundelde ze in een boek “Kunstformen der Natur”, een magnifiek plaatwerk dat trouwens nog herhaaldelijk opnieuw gedrukt wordt en gewoon te koop is. Uit dat boek werden een serie platen tentoongesteld in Teylers.

Dat Haeckel zo’n goede illustrator was had ook zijn nadelen. Hij ondersteunde zijn biogenetische grondwet met een plaat van de embryonale ontwikkeling bij acht verschillende gewervelde dieren, maar om zijn punt duidelijk te maken gaf hij de vormen enigszins geïdealiseerd weer. Dat is hem later zwaar aangerekend. Zijn tekening stond vroeger in alle biologieboeken van de middelbare school maar onder invloed van de creationistische lobby is die plaat er bij veel boeken weer uitgehaald. In zekere zin is dat terecht, want het klopt niet wat Haeckel zei. In de moderne biologie wordt erkend dat de embryonale stadia van alle gewervelde dieren op elkaar lijken, maar dat komt doordat ze van dezelfde voorouder afstammen, niet doordat alle dieren in hun ontwikkeling de hele evolutie nog eens over doen.

Haeckel was een zeer invloedrijk maar ook omstreden persoon die schurkte tegen nationalisme, racisme en sociaal darwinisme. Het was een kind van zijn tijd, met implicaties tot in de huidige maatschappij. Het is jammer dat we zijn sterfdag alleen gedenken met één zaal in Teylers.

Facebook Comments