Het leven is een transistorradio. Vele jaren geleden soldeerde ik transistorradio’s in elkaar. Ik vond de schema’s in het blad “Na Vijven”, een maandblad “voor actieve vrijetijdsbesteding”. Hoe ik eraan kwam weet ik niet meer, waarschijnlijk kreeg ik het tijdschrift van een oom of zoiets, want we hadden er zelf geen abonnement op. Het was een typisch knutseltijdschrift uit de jaren zestig, toen er nog zeeën van tijd lagen tussen het avondeten en de tijd waarop je naar bed moest. In die zeeën van tijd kon je van alles doen, allerlei dingen waarvan je nu denkt, waar haalde je de tijd vandaan? Of er tegenwoordig in Nederland nog jongens van 14 zijn die wel eens een transistorradio in elkaar solderen waag ik te betwijfelen. Het is een wereld die niet meer bestaat.

In “Na Vijven” stond ook altijd een rubriek over elektronica met allerlei leuke schema’s. Zo kan ik me herinneren dat ik een soort telefoon maakte die werkte met lichtsignalen. In de zender werd de spraak omgezet in lichtflikkeringen en in de ontvanger werd het weer hoorbaar. Als je de ontvanger op een TL-buis richtte hoorde je een gebrom. Het was allemaal volkomen onnuttig tijdverdrijf, maar het heeft me wel gevormd en die vorming heeft me leren begrijpen hoe het leven is ontstaan.

Ik kocht van mijn opgespaarde zakgeld drie transistors, een stel weerstanden, diodes, condensatoren en nog een paar andere onderdelen en knutselde zelf een transistorradiootje in elkaar, volgens een schema uit Na Vijven. Een grote opwinding maakte zich van mij meester toen het lukte om iets vaags te ontvangen in de oortelefoon. Eerst had je alleen onderdelen, nu had je een radio! Dat je door de onderdelen bij elkaar op een printplaatje te solderen iets kon maken waar geluid uit kwam was een openbaring.

Deze openbaring herleefde ik vorige week toen ik aan de HOVO-cursisten uitlegde hoe het leven ontstaan is. “Het leven is een transistorradio. De onderdelen doen zelf niks; als je ze willekeurig aan elkaar vastmaakt heb je nog niks. Je moet ze op een heel speciale manier met elkaar laten samenwerken om een radio te krijgen. De essentie van de radio zit hem niet in de onderdelen zelf, maar in de manier waarop ze met elkaar verbonden zijn.”

Met een technische term kun je het zo zeggen: de radio is een emergentie, iets dat ontstaat met eigenschappen die niet uit de onderdelen af te leiden zijn. De nieuwigheid, de innovatie, de emergentie, zit in de manier waarop die onderdelen in een circuit opgenomen zijn. Een verzameling weerstanden en condensatoren is geen radio; een circuit wel.

Zo, redeneerde ik bij mijn cursus, is het ook gesteld met het ontstaan van het leven. Vier miljard jaar geleden toen de aarde voldoende was afgekoeld nadat hij was gevormd, ontstond het leven uit een aantal chemische stoffen die met elkaar reageerden. Ze raakten opgesloten in een blaasje en hadden zulke intensieve contacten dat het blaasje zijn eigen energie kon opwekken en afgezonderd van de omgeving kon blijven bestaan. Een emergentie! Het is een wonder dat dit kon gebeuren, maar het is gebeurd anders waren we nu niet met zoveel planten en dieren op de aarde.

Maar is het wel een wonder? De transistorradio is geen wonder. Namelijk, je kunt het schema uittekenen en beredeneren dat je met dat schema radiosignalen kunt opvangen, versterken en hoorbaar maken. Dan ga je aan de slag en het blijkt te kloppen. Waarom is dat nog nooit met een levende cel gebeurd?

Het probleem is, we weten niet goed genoeg hoe een levende cel werkt. Dat is geen wonder want een levende cel is ontzettend veel ingewikkelder dan een transistorradio. Er is geen aflevering van een knutseltijdschrift waar het schema in staat. Maar het principe blijft geldig. Dat heb ik geleerd na vijven.

Facebook Comments