Na een avondje dineren op een beetje verafgelegen locatie fietste ik in het donker naar huis. De tocht voerde door de polder langs smalle wegen zonder lantaarnpalen. Het enige licht kwam van de maan en mijn eigen fiets. Ik moest de vaart er goed inhouden om mijn licht te laten schijnen, maar tegelijkertijd was dat gevaarlijk omdat je de weg nauwelijks kon zien. Zwart asfalt zonder belijning. Ik wist dat er een paar bochten in zaten, maar ja, waar? En hoe blijf je uit de buurt van de sloot?

Andere mensen op het diner verbaasden zich erover dat ik het aandurfde maar ik genoot er juist van. Terwijl ik na drie glazen wijn nog een heerlijke Drambuie bestelde bij de koffie konden zij niet drinken want ze moesten met de auto. Ik had medelijden met ze. Buiten in het donker was de lucht fris, ik hoefde een tijdje nergens aan te denken en met niemand te praten. Ik kon rustig mijn ogen dichtdoen want dat maakte haast geen verschil. Er waren geen auto’s, alleen ik en mijn fiets. Ik vond het heerlijk om een tijdje niet overvoerd te worden met visuele indrukken.

Tegelijkertijd hoor je veel meer dan normaal; om de haverklap vliegt er een zwerm ganzen op uit het weiland. Ze zien jou wel aankomen maar je ziet hen niet en je schrikt als ze plotseling opvliegen. Er rennen hazen over de weg, een tijdje met je mee, tot ze opeens aan de zijkant over een sloot springen. En er scharrelen nog allerlei kleine beesten rond waarvan je niet precies weet wat het zijn; ze lichten op in het licht van je fiets maar zijn dan weer verdwenen. Af en toe hoor je een soort gesnurk van, ja van wat eigenlijk. Het leven ‘s nachts is enorm rijk, veel rijker dan je denkt.

Dat wij de nacht als bedreigend ervaren, dat veel mensen bang zijn in donker, dat we ons niet thuis voelen als we geen hand voor ogen kunnen zien, komt natuurlijk doordat wij geen nachtdieren zijn. Ons visuele systeem domineert alles. Het enige dat we naar behoren in het donker kunnen doen is de liefde bedrijven, voor alle andere activiteiten hebben we licht nodig. Als we niks zien staan we hopeloos met onze handen in het haar.

De eerste gewervelde dieren hadden veel betere ogen dan wij. Wij hebben een overdaad aan staafjes in ons netvlies, de elementen waarmee licht en donker te onderscheiden zijn, en relatief weinig kegeltjes, waarmee je kleuren kunt zien. Kegeltjes werken beter overdag omdat ze veel licht vereisen. De meeste vissen, reptielen en vogels hebben vier verschillende soorten kegeltjes, elk gevoelig voor een bepaald deel van het lichtspectrum; de eerste zoogdieren, die uitgestorven zijn, hadden er waarschijnlijk drie, maar vanwege hun nachtelijke levenswijze zijn er tijdens de evolutie kegeltjes verloren gegaan. Het gros van de huidige zoogdieren heeft maar twee verschillende kegeltjes, één voor de lange en één voor de korte golflengtes. Dat wij er drie hebben is te danken aan het feit dat wij afstammen van de apen, die een dag-actieve levenswijze hebben. Tijdens de evolutie van de apen is het kegeltje voor lange golflengtes verdubbeld, de gevoeligheden zijn een beetje verschoven zodat wij met drie kegeltjes beter kleuren kunnen zien dan andere zoogdieren. Maar de overmaat aan staafjes die alleen licht en donker registreren herinnert ons nog aan ons nacht-actieve verleden.

Wij zijn geen nachtdier maar we hebben wel kenmerken van een nachtdier: zie daar de verklaring voor ons aarzelende optreden in het donker. Of het nu kwam door de Drambuie of door de fladderende, spetterende, fluitende en knorrende geluiden om me heen, bij het fietsen door de polder voelde me veilig als een zoogdier in de nacht.

Facebook Comments