Mijn jongste kleinzoon, net een jaar oud, kroop over de grond en reikte naar de kastdeur die op een kier stond. Hij pakte de deur vast en bewoog hem heen en weer. Het scharnier piepte. Liggend op zijn buik draaide hij de deur heen en weer en elke keer hoorde je een piep. Hij kon er geen genoeg van krijgen. Piep-piep, piep-piep en elke keer kraaien. De tranen liepen over onze wangen.

Waarom doet zo’n kind dat, vraag je je af. Niemand heeft het hem voorgedaan. Hij heeft het zelf uitgevonden. Kijk, als ik die deur heen en weer beweeg piept hij, wat leuk! Nog een keer. Het helpt natuurlijk dat hij ziet dat zijn ouders het goed vinden. Hij ziet ze lachen; dat stimuleert hem.

Maar natuurlijk is het meer. Kinderen spelen niet alleen omdat hun ouders dat leuk vinden; spelgedrag ontstaat spontaan. Je mag aannemen dat het een evolutionaire betekenis heeft. Herbert Spencer, de beroemde Britse filosoof en socioloog uit het eind van de negentiende eeuw, tijdgenoot en aanhanger van Charles Darwin, poneerde dat spelgedrag door jonge dieren gezien moet worden als een gevolg van een overmaat energie in de hersenen. Die energie moeten de jonge dieren kwijt en dat ontlaadt zich door middel van frivool gedrag. Het gedrag zelf zou instinctief zijn en niet noodzakelijkerwijze een imitatie van het gedrag van volwassen dieren. De aandrang om iets te doen hoopt zich op en zoekt een uitweg, zo redeneerde Spencer.

Maar deze theorie heeft geen stand gehouden. Namelijk, jonge dieren vertonen ook spelgedrag als ze moe zijn en geen energie-overschot hebben. De Duitse psycholoog en filosoof Karl Groos kwam in 1898 met een alternatieve theorie, namelijk, spelgedrag is een voorbereiding op het volwassen leven. Een dier dat als jong uitbundig speelt is in het latere leven beter voorbereid op moeilijke of onverwachte situaties, maakt een grotere kans te overleven in een gevecht of kan beter een prooi verschalken.

Ik keek weer naar mijn kleinzoon die nog steeds geen genoeg kon krijgen van de piepende deur. Ik kon er echt geen energie-ontlading in zien maar ook geen voorbereiding op het latere leven. Wanneer kom je als volwassene in een situatie waar het laten piepen van een deur een voorbereiding op is? Het lijkt me nogal ver gezocht.

Terwijl de deur bleef piepen vroeg ik me af, is het spelen van kinderen wel zo verschillend van het gedrag van volwassenen? Doen kinderen eigenlijk niet hetzelfde als volwassenen? Kinderen doen dingen op hun eigen manier; mijn kleinzoon is nog klein, kan nog niet lopen en is nog niet sterk of lenig, maar in de kern is het gedrag hetzelfde.

De kern van dat gedrag is volgens mij de onderzoekende houding, de aangeboren nieuwsgierigheid om dingen uit te proberen en er dan van te genieten dat er iets gebeurt dat je nog niet meegemaakt hebt. Het willen onderzoeken van de wereld om ons heen is een kernwaarde van ons mens zijn. Het heeft ons evolutionaire succes bepaald. We blijven niet in een grot zitten omdat het daar veilig is, we trekken er op uit, om voedsel te verzamelen en te proberen of het lekker smaakt. We lopen verder om ook de wereld achter de heuvel en over de rivier beter te leren kennen. Het grote voordeel van zo’n instelling, die de meeste dieren niet hebben, is dat je nieuwe dingen ontdekt en kunt leren. In tegenstelling tot diergedrag dat grotendeels instinctief is en weinig ruimte laat om tijdens het leven dingen bij te leren, is bij ons juist heel weinig van ons gedrag aangeboren; we moeten alles leren. De drang om te leren komt voort uit een lust om te ontdekken. Onze aangeboren nieuwsgierigheid zorgt ervoor dat we steeds slimmer worden, slimmer dan enig ander dier.

Plotseling had ik het door. Mijn kleinzoon deed hetzelfde als ik, maar op zijn manier. De tranen bleven stromen.

Facebook Comments