Negentien graden in de herfst is veel kouder dan negentien graden in het voorjaar. Nu in deze tijd van het jaar de buitentemperatuur daalt tot onder de 10 graden koelt het bij mij in de huiskamer ’s nachts af tot 19 graden. Dat voelt fris aan, zodat de kachel aan moet. Maar als je dezelfde situatie in het voorjaar hebt en je stookt de kachel op tot 19 graden is dat veel te warm. Hoe kan dat?

Het lijkt alsof er in het menselijk lichaam een temperatuurgeheugen zit. Als het lange tijd 25 graden is geweest voelt 19 graden gewoon koud, maar als het lange tijd 15 graden is geweest, voelt 19 graden gewoon warm. In het meest extreme geval voel je dit effect in de tropen. Ik heb ooit drie tropische bergen beklommen, de Bromo (2392 meter), de Merapi (2968 meter) en de Kinabalu (4095 meter) en elke keer was ik aan de top op het bot verkleumd, ook al was ik erop gekleed. Op de Bromo, waar veel toeristen komen, staat bovenaan een leger mannetjes klaar die dat weten. Ze verkopen sjaals en vesten voor goed geld.

Ik schrijf dat koudegevoel toe aan het feit dat je in één dag vanuit de tropische hitte van 35 graden naar een temperatuur rond het vriespunt gaat. Nul graden is op zich helemaal niet koud. In Nederland kun je schaatsen bij tien graden onder nul zonder dat je bibbert. Maar in de tropen is elke temperatuur onder 10 graden stervenskoud.

Waarom is dat raar? Wij zijn toch een warmbloedig dier, dat wil zeggen dat wij onze lichaamstemperatuur binnen heel nauwe grenzen reguleren. Er zit een thermometer onder in de hersenen die de temperatuur van het bloed meet. Als die daalt onder de 37 graden gaat er een signaal naar het hele lichaam: harder stoken! De verbranding in de cellen van het lichaam wordt ietsje opgeschroefd zodat de temperatuur van het bloed weer stijgt. Zo schommelt de lichaamstemperatuur rond de 37 graden. Opvallend is dat er bij een afwijking van een paar graden al direct problemen ontstaan, vooral bij de hoge temperaturen. Onze temperatuurregeling is een schoolvoorbeeld van hoe een thermostaat moet werken.

Maar toch is het ingewikkelder, want ook al is het binnen precies 37 graden en buiten precies 19 graden, dan nog voelt het koud aan als je uit de zomer komt en warm als je uit de winter komt.

De biologen noemen dit verschijnsel “acclimatie”. Je ziet het ook bij koudbloedige dieren zoals kikkers. Daar zijn veel proeven mee gedaan. Je neemt twee kikkers, de een zet je een week bij 15 graden, de ander bij 25 graden. Dan draai je het om. De kikker die eerst bij 15 graden zat krijgt bij dan 25 graden een heel hoge stofwisseling. Die daalt geleidelijk totdat hij gelijk wordt aan de waarde die de kikker bij 25 graden altijd al had. Omgekeerd gebeurt hetzelfde. Het is een klassieke proef uit de dierkunde. Als de temperatuur plotseling verandert reageert het lichaam heel sterk, maar als het langzaam gaat merk je het niet.

Men heeft zelfs beweerd dat je op die manier een kikker in een pannetje kunt koken door hem in lauw water te zetten dat je heel zachtjes verwarmt; het arme beest heeft niet in de gaten dat het water steeds warmer wordt. Dit beeld wordt vaak gebruikt om mensen te waarschuwen voor sluipende desastreuze veranderingen. Maar het schijnt niet waar te zijn. Mensen die de proef gedaan hebben zeggen dat de kikker op een gegeven moment wel degelijk uit de pan springt.

Dus mocht u het deze dagen een beetje koud hebben: wees niet bang. Het is een reactie die wij, ondanks onze hoge ontwikkeling als warmbloedig dier, gemeen hebben met vissen en amfibieën. Het is de kikker in u die tijd nodig heeft.

Facebook Comments