Net als vrijwel alle andere insecten gaan ook de zweefvliegen hard achteruit. Dat bleek deze week uit een publicatie van de Utrechtse bioloog Aat Barendregt in het tijdschrift Insect Conservation and Diversity. Het is een drama. We wisten al dat de populaties van vlinders en bijen zijn ingestort sinds de jaren zeventig; nu is het ook glashard aangetoond voor zweefvliegen. De waarnemingen zijn erg overtuigend omdat ze lange tijd gedaan zijn door dezelfde persoon op dezelfde manier. Vanaf 1982 bezocht Barendregt regelmatig het landgoed Boeschoten, bij Garderen, op de Veluwe. Hij liep steeds hetzelfde rondje en noteerde het aantal soorten en hun aantallen.

Zweefvliegen worden soms voor wespen versleten omdat ze vaak dezelfde geel-zwarte kleuren hebben. Maar zweefvliegen kunnen stil hangen in de lucht. Daar herkent u ze aan. En ze komen niet af op zoetigheid, zoals wespen, maar op kleurige oppervlakken, bloemen natuurlijk, maar ook uw gekleurde bloesje. In Nederland komen ruim 300 soorten zweefvliegen voor die relatief gemakkelijk te herkennen zijn, vandaar dat ze erg populair zijn onder amateur-biologen.

Uit het onderzoek van Barendregt blijkt dat tussen 1982 en 2021 de aantallen met 80% achteruit zijn gegaan. Tegelijkertijd is het aantal soorten sterk verminderd en verschillende zijn uit Nederland verdwenen. De zeldzame soorten, die toch al in lage aantallen voorkwamen, verdwijnen als eerste.

Het is een patroon dat we overal zien en het drama wordt verergerd doordat biologen niet goed weten hoe het komt. Vaak wordt bij achteruitgang van insecten de schuld gelegd bij bestrijdingsmiddelen. Er is altijd wel een stuk landbouwgrond in de buurt waar pesticiden gebruikt worden. Al snel gaat de vinger in die richting, maar daar is niet altijd bewijs voor, ook niet in dit onderzoek. Het eerlijke antwoord dat de biologen moeten geven is: we weten het niet.

Het gaat niet met alle insecten even slecht. Uit een uitvoerige inventarisatie die vorig jaar gepubliceerd werd door de samenwerkende waterschappen, bleek dat verschillende insectengroepen met larvestadia in het water, zoals kokerjuffers, waterjuffers en libellen, tussen 1990 en 2017 juist vooruitgegaan zijn, al zijn sommige andere groepen zoals dansmuggen juist achteruitgegaan. Maar over het geheel genomen is de diversiteit van watergebonden insecten in Nederland toegenomen.

De achteruitgang van insecten is dus vooral een probleem van het land en mijn gevoel zegt me dat het te maken heeft met veranderingen in de bodem. De bodem is sinds de jaren zeventig enorm onder druk komen te staan. We gebruiken de bodem veel intensiever dan voorheen en overal wordt de bodem vol gelegd met wegen, huizen en industrieterreinen. Er blijft geen stukje normale bodem meer over.

Veel insecten hebben een larvestadium in de bodem. De bodem is een levend geheel. Het barst van de schimmels, waarvan vele dodelijk zijn voor insecten. Er zijn talloze bacillen die zeer giftige stoffen produceren. In de bodem zitten ook veel parasieten. Een groep van eencelligen, onder biologen bekend als Apicomplexa (waar ook de malariaparasiet toe behoort) is nota bene een van de meest talrijke groepen micro-organismen in de bodem. Niemand weet wat ze doen. Is die hele biologische wereld van de bodem veranderd in de laatste jaren, met gevolgen voor de insecten die een larvestadium in de bodem hebben? We weten het niet. Er is geen langlopend meetprogramma naar bodemgezondheid. Hoe we dat kunnen laten liggen als agrarisch topland is me een raadsel.

Leg niet zonder na te denken de schuld van de achteruitgang van insecten bij de pesticiden in de landbouw. De oorzaken zijn onbekend en het probleem is waarschijnlijk veel groter. We moeten toe naar een fundamenteel ander landgebruik, met meer ruimte voor de landbouw en minder intensief gebruik van de grond. En een drastische vermindering van de stikstofuitstoot is onvermijdelijk. Het zal een kwestie worden van lange adem, want veranderingen in de bodem hebben een looptijd van tientallen jaren.

Facebook Comments