Het is een bekend dilemma voor bestuurders: bij welke dingen moet je er bovenop zitten, welke dingen moet je alleen in goede banen leiden en welke dingen moet je juist laten lopen?

Een Indonesische collega van mij, Benny Setianto, introduceerde een nieuw concept: besturen per ongeluk (“governance by accident”), wat ik hier even vertaal met “onbedoeld besturen”. Hij promoveerde afgelopen maandag aan de Universiteit van Nijmegen. Ik was er zijdelings bij betrokken omdat hij afkomstig is van dezelfde Indonesische universiteit waar ik jarenlang mee samengewerkt heb. Benny had een studie gemaakt van de afvalverwerking in de stad Semarang, de hoofdstad van Midden-Java.

In Indonesië is de afgelopen jaren veel veranderd. Toen het autoritaire regime van Soeharto in 1998 ten val kwam volgde er een wilde periode die de Indonesiërs de “reformasi” noemen. Veel wetgeving die eerst voor het hele land gold werd nu gedecentraliseerd. De verschillende regio’s kregen meer verantwoordelijkheid en konden over een groot aantal zaken zelf beslissen. Deze nieuwe situatie van “demokrasi” had zowel voordelen als nadelen. De besturen van provincies en steden kregen meer te zeggen, maar aan de andere kant moesten ze ook veel wetgeving op milieugebied uitvoeren die vroeger vanuit Jakarta aangestuurd werd. Dit had gevolgen voor de inzameling van huishoudelijk afval.

Indonesië produceert een enorme hoeveelheid afval; het is de vijfde producent van afvalplastic ter wereld en het afval wordt niet verbrand zoals bij ons maar gestort in enorme vuilnisbelten. De stad Semarang stort zijn afval in een vallei buiten de stad die nu al bijna helemaal gevuld is. Het wordt in drie etappes verzameld, eerst van de huishoudens naar een lokale opslag in de buurt, dan naar een grotere opslag aan de rand van de stad en van daar naar de vuilnisbelt. Het was de bedoeling dat de afvalinzameling na de reformasi uitgevoerd werd door de lokale overheden maar die blijken daartoe niet in staat. Het hangt een beetje van de wijk af maar op veel plaatsen moeten de mensen wel belasting betalen maar doet de overheid niks. De decentralisatie heeft voor het milieu niet goed gewerkt.

Maar ondanks het incompetente stadsbestuur wordt het afval toch opgehaald. Een leger van kleine ondernemingen heeft zich ontfermd over het schoonhouden van de straten en het wegbrengen van afval naar een lokale opslagplaats. Ze worden betaald door de overheid maar ook door de buurtbewoners. In een rijke wijk is het goed geregeld omdat de mensen ervoor willen betalen. Bovendien wordt een flink deel van het afval gerecycled door een leger van afvalsorteerders. Bij de centrale vuilnisbelt woont een grote groep mensen die de hele dag tussen het afval rondscharrelen om allerlei spullen eruit te vissen, op te knappen en weer te verkopen. Zo is afvalbeheer een activiteit geworden waar gezinnen een redelijk inkomen mee kunnen verdienen. Het zijn meestal mannen uit de omringende dorpen die tijdelijk in een hutje bij de vuilnisbelt wonen. Ze hebben het gebied onder elkaar verdeeld en er is zelfs een structuur ontstaan van bazen en verzamelaars. Ook is er een zekere mate van specialisatie: de een verzamelt hout, de ander plastic, de derde koperen draden, enz.

Geen van deze afvalsorteerders doet zijn werk om het milieu te beschermen. Ze doen het om een inkomen te verdienen. Maar het gevolg is wel dat het afval gesorteerd, uitgezocht en voor een deel gerecycled wordt. Dus het besturen van de afvalverwerking is “per ongeluk”: het is een onbedoeld, maar wel gunstig, resultaat van de activiteiten van individuele burgers die uit zijn op hun eigen economisch gewin. In zijn proefschrift vraagt Benny aandacht voor dit soort besturingsmodellen.

Zou dit ook in Nederland mogelijk zijn? Zou je kunnen zeggen: we redden het zelf, Mark, we hebben jouw regeldrift niet nodig. Vertrouw op ons vermogen tot zelforganisatie. Hier zit ik sinds afgelopen maandag op te broeden.

Facebook Comments