“Waarom ben ik niet gemaakt van steen, zoals jullie”, klaagde Quasimodo richting de gorgelaars, de waterspuwers op de dakrand van de kathedraal, die hem hielpen in de strijd tegen Dom Claude Frollo. Het is een scene uit het beroemde boek van Victor Hugo, “De klokkenluider van de Notre Dame”. De scene wordt aangehaald in een ander boek, van mijn favoriete evolutiebioloog de Amerikaanse paleontoloog Stephen J. Gould. Een paleontoloog bestudeert stenen, maar Gould praat ermee. Hij schreef een heel boek om zijn respect te betuigen aan de fossielen die hij bestudeerde. Hij loste daarmee een schuld af want de fossielen hadden hem zoveel opwinding en wetenschappelijke bevrediging gegeven. Hij wilde iets terug doen.

Ik heb nooit geleerd te praten met stenen. Vroeger vond ik het maar niks, die stenen. Toen ik biologie ging studeren moest ik in het tweede jaar kiezen voor een hoofdrichting en een bijrichting. Veel van mijn studiegenoten kozen voor biologie met aardwetenschappen. Dat werd beschouwd als een beschrijvende en zeker niet moeilijke specialisatie. Maar het kon mij niet boeien. Ik koos een experimentele en exacte richting, biologie met natuurkunde. De aardwetenschappers met hun stenen verloor ik uit het oog.

Maar ik ben ervan teruggekomen. Namelijk, je hebt de studie van stenen nodig voor de evolutiebiologie. Fossielen zijn versteende overblijfselen van wezens die leefden in het verleden. Wat leert het overblijfsel je? Hoe kun je de verschillende fossielen met elkaar in verband brengen en wat vertellen ze over de leefwijze van mensen en dieren in het verleden?  Kennis van de aardwetenschappen is essentieel om het verhaal van de fossielen goed te begrijpen. En zonder fossielen blijft de evolutietheorie een theorie. Wat oude handschriften zijn voor een historicus zijn de fossielen voor een evolutiebioloog.

Zo kwam het dat ik pas tegen het einde van mijn carrière de ware aard van de stenenverzamelaars leerde kennen. Wat een interessante mensen waren dat! Ik maakte bijvoorbeeld kennis met Bert Boekschoten aan de VU en John de Vos bij Naturalis in Leiden. Ik heb veel van ze geleerd, zoveel dat ik zelfs hier in deze columns af en toe iets durf op te schrijven wat eigenlijk tot hun vakgebied behoort.

Stephen J. Gould schreef zijn boek over de beroemdste collectie fossielen die er bestaat, de Burgess Shale. Je kunt die plek vinden bij het plaatsje Field in Brits Columbia, Canada. De fossielen daar zijn zo bekend omdat ze zeer oude meercellige wezens laten zien, van 525 miljoen jaar geleden. Ver vóór de vogels en dinosauriërs, ver vóór de amfibieën, zelfs vóór de vissen, leefde er een bonte verzameling van kreeftachtige en wormachtige dieren in de zee, met een enorme rijkdom aan lichaamsvormen. Sommige zien er zo raar uit dat het moeilijk is te besluiten tot welke groep van het dierenrijk ze behoren. De eerste paleontologen die de fossielen vonden wisten zich geen raad en deelden ze in bij de bekende diergroepen die nu nog bestaan. Maar dat bleek niet terecht. Onder de Burgess Shale-fossielen zijn talloze dieren waarvan de nakomelingen allemaal uitgestorven zijn. Ze bestaan gewoonweg niet meer. Dat was de grote ontdekking die Gould beschrijft in zijn boek “Wonderlijk Leven” over de Burgess Shale. Wat een verhaal! Gould vertelt het zo mooi dat de fossielen voor je gaan leven.

Quasimodo kon met de stenen gorgelaars praten. Stephen J. Gould kon met de fossielen van de Burgess Shale praten. Bert Boekschoten en John de Vos kunnen praten met beenderen van zoogdieren en mensachtigen. Ik praat af en toe tegen de kleine fossielencollectie in mijn werkkamer, een kies van een mammoet, een paar ammonieten, een Gryphaea en een Hippurites, maar ze zeggen niks terug. Ik moet harder studeren in de paleontologie om te leren praten met stenen. Was ik maar van steen.

Facebook Comments