Vanwege de coronarestricties kom ik niet zo vaak meer op de universiteit en een gepensioneerde is natuurlijk de eerste die thuis moet blijven, maar de bibliotheek kan ik niet missen voor mijn volgende boekproject. Dus fiets ik als vanouds af en toe door de stad, langs mijn welbekende route. Ik volg altijd een vaste route; het is een gewoonte die veel voordelen biedt want je hoeft niet na te denken en je kent alle kruispunten met alle kleine en grote gevaren die je dagelijks weer bedreigen.

Zo voert mijn route door de Amsterdamse Spuistraat. Die straat heeft al jaren een vrij liggend geasfalteerd fietspad, een van de supersnelle fietsverbindingen door het centrum. Maar sinds de coronaperikelen is dat fietspad afgesloten ten behoeve van terrassen en wandelaars. Ook wordt het, nog meer dan vroeger, gebruikt door vrachtwagens om van alles en nog wat te laden en te lossen.

Maar goed, ik ben de beroerdste niet dus ik nam de rijbaan, waar je tussen de stilstaande auto’s moet laveren want de straat is smal en na elke 10 meter staat er een vrachtwagen, bestelbusje of vuilniswagen stil en is de doorgang versperd. Op veel plaatsen was het centimeterwerk om erdoor te komen en de stress sloeg toe. Zo kwam het dat ik bijna een spiegel van een stilstaande auto eraf reed, wat geschreeuw uitlokte: “hé, ouwe!” De man had gelijk natuurlijk, maar ik reed door.

Toen ik eenmaal het Koningsplein bereikt had drong het tot me door waarom ik in de stress schoot: mijn fietstocht is een ritueel, een vaste verplichte gewoonte. Als je gedwongen wordt daarvan af te wijken raak je van slag. Het was bij mij als bij een kleuter die de broodjes tussen de middag in een vaste volgorde wil hebben, waar niet van afgeweken mag worden: eerst de boterham met kaas, dan een plak ontbijtkoek en het lekkerste voor het laatst: een ei. Met mijn kleinzoon doe ik wel eens de stoepjesloop. Dat houdt in dat je alleen over de stoepjes langs de huizen mag lopen en niet op het trottoir. Wee je gebeente als dat fout gaat. Je springt desnoods van de ene naar de andere stoep en als de afstand te groot is moet opa je dragen.

Het vervallen in vaste gewoontes is een biologische eigenschap. Biologen noemen het ritueel gedrag. Alle dieren doen het. In het boek “Over agressie” van de Oostenrijkse gedragsbioloog Konrad Lorenz staan talloze voorbeelden. Heel bekend zijn de dreighoudingen van ganzen, eenden en meeuwen, met de kop naar beneden en uitgestrekte nek. Die gedragingen zijn oorspronkelijk bedoeld om belagers af te weren maar worden ook in andere contexten gebruikt. Lorenz voegt er een vroege herinnering bij uit zijn eigen kindertijd: hoe hij op het grote plein liep voor het stadhuis in Wenen en hij per se niet op de naden tussen de tegels mocht lopen: alleen de tegels aanraken! Ieder kind heeft van dit soort min of meer dwangmatige gewoontes.

Er is ook een goede evolutionaire reden voor: als je een vast stereotypisch gedragspatroon volgt, dat zijn nut bewezen heeft en waarvan je weet dat het veilig is, loont het om dat gedrag automatisch te maken en altijd te doen. Daarom heb ik in al die jaren nog nooit een ongeluk gehad terwijl ik – volgens een snelle berekening – ongeveer 4,5 keer de afstand om de aarde gefietst heb door het stadsverkeer, tussen vrachtauto’s, vuilniswagens, taxi’s, toeristenbussen en openslaande portieren.

Het dwangmatig volgen van rituelen heeft vele voordelen en is daarom evolutionair geselecteerd. Alle kinderen laten zien dat het ook bij de mens hoort. Als volwassene zijn we daarvan losgekomen maar het kan geen kwaad er af en toe naar terug te vallen. Ik bied de man tegen wiens spiegel ik aanstootte met dit verhaal mijn excuses aan.

Facebook Comments