De herfst is de tijd van de geuren. De gekneusde takjes van de populieren, de lucht van dode bladeren, vochtige grond en paddenstoelen, de sterke geur van de dennenbomenhars, het is allemaal kenmerkend voor de herfst. De herfst is voor mij een goed seizoen omdat ik een slechte neus heb en de geuren in de herfst indringend zijn. In het voorjaar met haar vluchtige rozengeurtjes kom ik minder goed tot mijn recht. Maar sowieso kan iemand mij moeilijk met geuren verleiden. Ik ruik alleen wat ik al ken. Daarom herken ik bijvoorbeeld onmiddellijk patchoeli oil (hoewel geen enkele vrouw dat meer gebruikt), omdat ik dat vroeger zo vaak geroken heb en er goede herinneringen aan bewaar.

Wij kunnen omdat we een zoogdier zijn vrij goed ruiken, veel beter dan reptielen en vogels. Zoogdieren oriënteren zich heel sterk met hun reukzintuig. Ze verkennen de omgeving aan de hand van de luchtjes. Hier ruikt het zus, daar ruikt het zo, dus ik moet deze kant op en daar is mijn hol. Die sterke koppeling tussen geuren en herinneringen is ook bij ons aanwezig. Menige herinnering heeft onbewust een geur meegekregen en zodra we die geur ruiken komt ook de herinnering boven. Het klopt ook met de hersenen van zoogdieren: het reukcentrum zit vlak naast het centrum dat de herinneringen vastlegt, de hippocampus.

Maar omdat we ook primaat zijn (de groep waartoe de apen behoren) ruiken we minder goed dan andere zoogdieren zoals honden en muizen. Gemiddeld genomen heeft een zoogdier ruim 1200 verschillende genen die te maken hebben met de geurwaarneming. Elk gen codeert voor een bepaalde antenne die één geurstof kan waarnemen. Maar de mens heeft maar 800 van zulke genen en bovendien is de helft niet werkzaam. Je kunt ze wel opsporen in het erfelijk materiaal, maar ze zijn kapot geraakt en worden door de evolutie niet meer gerepareerd, kennelijk omdat ze niet nodig zijn. Een mens gaat niet aan deurposten ruiken om vast te stellen waar zijn huis is; hij oriënteert zich op het gezicht.

Toch is er iets vreemds aan de hand met het kunnen onthouden van geuren. Geuren zijn erg variabel. Er komt een snufje gekneusde populierenblaadjes of een ietsjepietsje patchoeli voorbij en je weet gelijk wat het is. De antennes die op die geurstof reageren moeten bij heel lage concentraties al aanslaan maar die geuren zijn ook zo weer weg. Het lijkt alsof er in ons hoofd een systeem zit dat de geurbeleving kan vergelijken met een referentie, zodat heel kleine afwijkingen al opgemerkt worden.

Ik had hierover eens, jaren geleden, het was herfst, een gesprek met een collega uit het VUmc, een keel-, neus- en oorarts. We spraken over het evolutionaire nut van de neusbijholtes. Waarom hebben we eigenlijk voorhoofdsholtes, neusbijholtes en kaakholtes? Ze staan met kleine kanaaltjes in verbinding met de neusholte, maar ze lijken geen functie te hebben, ze kunnen alleen maar ontsteken en dat geeft problemen. Had evolutie er niet beter aangedaan ze weg te selecteren? Maar het idee van mijn collega was: misschien hebben ze wel een functie. Als geurstoffen doordringen in de neus komen ze ook in de holtes terecht. Omdat die afgesloten zijn blijven ze daar langer hangen. Dat betekent dat je gemakkelijker een kort vleugje dat even je neus inkomt kunt waarnemen omdat je dat signaal kunt vergelijken met wat er in de holtes zit, die de geuren over langere tijd uitmiddelen, als een basislijn.

Al pratende weg werden we steeds enthousiaster over dit idee en we wilden er zelfs een promovendus op zetten om het goed uit te zoeken, met vergelijkend onderzoek aan de schedels van zoogdieren. Het is er niet van gekomen. Maar toch, toen ik deze week langs de populieren reed moest ik weer terugdenken aan dat gesprek, van jaren geleden. En nu weet u ook hoe dat komt.

Facebook Comments