Als docent wil je onder de studenten zijn. Het is mijn wereld, ik ben eraan gewend, ik werk voor ze en ik hou van ze. Als gepensioneerd docent mis ik dat stukje levensgeluk. Vandaar dat ik onmiddellijk ja zeg als de studentenvereniging me vraagt om aan een onderwijsactiviteit mee te doen.

De biologenvereniging van de VU hield vorige week zaterdag een ouderdag. De ouders van studenten komen een dagje kijken waar hun kroost zich ophoudt en hoe het eraan toegaat aan de universiteit. Ze lopen twee colleges en doen een paar practica. Het zijn altijd perfect georganiseerde dagen, want organiseren, dat kunnen ze, de tegenwoordige studenten.

Ik deed het “bottenpracticum” uit een cursus over de evolutie van de mens, die ik jarenlang gegeven heb. Van bijna alle bekende menselijke fossielen zijn afgietsels gemaakt die voor onderwijsdoeleinden verkocht worden door de Amerikaanse firma Bone Clones. Op de VU hebben we een verzameling van meer dan twintig fossiele schedels. Eigenlijk heb je er nog meer nodig want er zijn in totaal zevenentwintig verschillende fossiele mensachtigen beschreven.

Bij het practicum gaf ik de studenten opdrachten waarbij ze metingen moesten doen aan de diverse fossielen en ze moesten vergelijken op allerlei kenmerken die van belang zijn voor het begrijpen van de levenswijze, zoals: hoe kun je zien of het fossiel afkomstig is van een wezen dat rechtop liep, wat was de stand van zijn benen, hoe zwaaide hij met zijn armen en kun je zien of hij werktuigen gebruikte? Maar dergelijke opdrachten zijn een beetje te moeilijk om met ouders te doen, omdat je eerst een hele wereld aan bottenkunde moeten doornemen, met de bijbehorende termen. Niet alleen het bot zelf, maar ook de diverse onderdelen hebben Latijnse namen. Als je de handleiding van de studenten aan hun ouders geeft lopen ze al na drie regels vast vanwege die veelheid aan termen. Daarom deed ik op de ouderdag een eenvoudiger opdracht. En wat ik ervan leerde: dat gaat eigenlijk best goed. Ook zonder de namen van allerlei beenderen en hun knobbeltjes, zonder de moeilijke namen van soorten en de technische reconstructie van afstammingsrelaties kun je toch een vrij goed beeld krijgen van de evolutie van de mens. In een uurtje!

De opdracht aan de ouders was om op een lange tafel de stamboom van de mensachtigen uit te beelden. De tafel is een tijdlijn. Aan het hoofd van de tafel heb je Homo sapiens, de huidige levende mens, de enige overgeblevene, en aan de andere kant van de tafel heb je de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee die 7 miljoen jaar geleden leefde in Afrika. Daartussen moeten al die 20 fossielen komen te liggen. Allemaal zijn ze uitgestorven. Maar wat is hun relatie met de mens? Zijn het voorouders of vormen ze een doodlopende zijlijn die op een gegeven moment geen nakomelingen meer heeft gekregen? Wie is de voorouder van wie en hoeveel mensensoorten leefden er tegelijkertijd? Door elke fossiele schedel op een plek op de tafel te leggen en ze te verbinden met lijnen kun je dat in beeld brengen.

Uiteindelijk maakte de groep ouders met elkaar een heel redelijke stamboom, na bestudering van de eigenschappen van de fossielen. Er zaten een paar fouten in, maar dat betrof bijzondere soorten met afwijkende kenmerken, zoals bijvoorbeeld de Floresmens, die heel kleine hersenen heeft maar toch heel recent is. Je zou die schedel niet zo gauw als een tijdgenoot van de mens classificeren, wat hij wel is. Maar over het algemeen klopte de stamboom behoorlijk goed met wat de studenten moesten leren bij mijn cursus. Ik stond versteld.

Zijn die ouders nou zo slim omdat ze slimme kinderen hebben? Ik denk dat het anders is. In een uurtje kun je met een groep gemotiveerde en enthousiaste mensen heel veel bereiken. De ouders waren mijn studenten, mijn wereld.

Facebook Comments