Ik werd getroffen door het boek van Renske Jonkman, want “Dit verdronken land” beschrijft de streek waar ik ben opgegroeid, de grond waaruit ik ben gevormd. In West-Friesland, tussen Wogmeer, Hensbroek en Rustenburg ligt een gebied waarin sloten, bagger en kluiten de hoofdrol spelen, een typisch Noord-Hollands landschap. We noemden het vroeger de Uitgang, alsof daar de wereld eindigde. Als je alle boerderijen van de Wogmeer achter je had gelaten, en alleen maar sloten, kluiten en weilanden om je heen zag, dan kwam je in een niemandsland. Over de dijk werd de weg smal en kronkelig. In de verte, voorbij het drassige verdronken land, lag Rustenburg maar om daar te komen moest je door de uitgang. De molen waarmee destijds de Wogmeer is drooggemalen staat er nog steeds, te midden van het water en de eilandjes. Dit is het gebied waarin Krijn en Lucas, de hoofdpersonen uit de roman van Renske Jonkman, hun dagelijkse strijd met de elementen, de dieren en elkaar voerden.

Ooit heb ik bewezen dat de Wogmeer een droogmakerij is. Tijdens een van de strenge winters die je toen had stapte ik met een vriend op de schaats op de ringsloot van de Wogmeer. We gingen naar rechts en volgens onze theorie moesten we, als de Wogmeer inderdaad een droogmakerij was, na verloop van tijd weer van links hetzelfde punt bereiken. Dat bleek inderdaad zo te zijn, al duurde het de hele dag. We hebben veel meegemaakt, slecht ijs met kroos, boeren die gier op het ijs lieten lopen, wakken en stukken open water. Maar onze theorie klopte. Ik heb er later nog een spreekbeurt over gehouden voor de hele klas, waarvoor ik van Meester Langedijk een 9 kreeg. Toen is de kiem gelegd voor mijn verdere carrière. Kun je nagaan hoe belangrijk de ringsloot van de Wogmeer is geweest voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik bewees de stelling van de kringintegraal voordat ik wist wat dat was.

De opoe van mijn moeder woonde in de Wogmeer, aan het eind van een doodlopend padje. Ze zat dichtbij de kachel, alleen in haar huisje toen opa dood was. Als mijn moeder bij opoe op bezoek was moest ze altijd de steken oprapen. Opoe kon goed breien, maar ze was bijna blind en kon de gevallen steken niet meer vinden.

Mijn opa had een kapperszaak in de Wogmeer. Mijn moeder moest helpen met het inzepen van de mannen die geschoren werden. De mannen legden hun pruimtabak buiten op de vensterbank, want die mocht niet naar binnen. Soms lagen er vier pruimen op een rijtje. Hoe wist zo’n man welke pruim van hem was? Mijn moeder griezelde ervan. Maar met alleen scheren kon je niet de kost verdienen. Mijn opa verkocht ook tabak, had een paar konijnen achter het huis, een kippenhok, een geit, een veldje met wortelen en een koe in de kost. Een keer per jaar scheerde hij schapen. Je kunt je niet voorstellen hoe eenvoudig de mensen toen leefden en met hoe weinig ze tevreden waren. Naar de maatstaven van nu was het een en al armoe. Een fiets was al een rijkdom, de kinderen gingen lopend naar school. En het is niet eens zo lang geleden, ik heb dat nog allemaal meegemaakt want we gingen geregeld logeren bij oma en opa in de Wogmeer.

Het was een en al klei, bagger en water. Je werkte met je handen in de grond, we gooiden met kluiten naar elkaar en je gleed uit in de prut. Ik ben uit de klei getrokken. Die sfeer trof ik ook aan in de mooie roman van Renske Jonkman. Ze zette me aan het denken over de grond van mijn bestaan. De Bijbel leert ons dat we uit de aardbodem afkomstig zijn, “want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. In het Midden-Oosten is stof inderdaad een goed beeld. Maar als West-Fries durf ik de Bijbeltekst te parafraseren: “klei zijt gij en tot klei zult gij wederkeren”.

Facebook Comments