Er is maar één persoon waar je een Y-chromosoom van krijgt en dat is je vader. Ik koester dat als een biologisch geschenk, nu hij vorige week op 94-jarige leeftijd is overleden. Je krijgt allerlei dingen mee van je vader natuurlijk, zoals in mijn geval, een niet te onderdrukken neiging tot hard werken, een onbevangen optimistische levenshouding en een ijzersterke gezondheid. Ik ben hem daarvoor eeuwig dankbaar. Voor de rest zijn we heel verschillend. Hij heeft zijn hele leven op het land gewerkt, als bloembollenkweker, ik zat al vanaf mijn twaalfde achter de boeken. Hij moest elke cent omdraaien om het bedrijf draaiende te houden, ik ging al jong goed verdienen en mijn salaris is gestegen naar comfortabele hoogte. Hij heeft nooit meer opleiding gehad dan de lagere school, ik bracht het tot boven in de academie. Maar dat Y-chromosoom hebben we echt gemeenschappelijk.

Van al je 23 chromosomen, de sliertjes in je lichaamscellen waar de erfelijke eigenschappen op gelokaliseerd zijn, heb je twee exemplaren, een van je vader en een van je moeder. Maar bij één chromosoom, we noemen dat het geslachtschromosoom, zijn die twee exemplaren bij de mannen erg verschillend van elkaar (ze heten X en Y), terwijl ze bij de vrouwen hetzelfde zijn (X en X). Ze worden X en Y genoemd omdat ze bij sterke vergroting onder een microscoop er uitzien als de letters X en Y. Het Y-chromosoom is veel kleiner dan X, maar bevat een cruciaal gen dat de biologen kennen als “testis-bepalende factor”. In het embryo wordt dat gen actief in de zesde week van de zwangerschap en dat betekent de grote ommezwaai. Voor die tijd kon het embryo nog man of vrouw worden, maar als de testis-bepalende factor aanschakelt worden alle vrouwelijke mogelijkheden afgesneden; de geslachtsklieren worden geen eierstokken maar testikels; die gaan mannelijk geslachtshormoon produceren en als gevolg daarvan gaat het hele embryo de mannelijke route volgen. Een embryo dat geen Y-chromosoom heeft doet dat allemaal niet en dan gaat automatisch het vrouwelijk programma lopen.

Behalve dat het Y-chromosoom klein is heeft het nog een kenmerkende eigenschap, het wisselt geen erfelijk materiaal uit met zijn partner, het X-chromosoom. Alle andere chromosomen doen dat wel, ook de twee X-chromosomen van de vrouw. Dat is de reden dat de kenmerken van de ouders door elkaar gehusseld worden in de nakomelingen. Daarom is het mogelijk dat het rode haar van je grootmoeder van moederskant bij jou gecombineerd wordt met de kromme neus van je grootvader aan vaders kant. Maar voor de kenmerken die op het Y-chromosoom liggen kan dat niet; die blijven daar liggen en worden in tandem doorgegeven van vader op zoon. Mijn Y-chromosoom is exact hetzelfde als dat van mijn vader en van mijn grootvader aan vaders kant, en ook de zoon van mijn zoon heeft exact hetzelfde chromosoom.

Omdat het Y-chromosoom zo klein is, is het wel zo dat er weinig genetische eigenschappen op liggen. Dat heeft een evolutionaire oorzaak. Zodra er op een geslachtschromosoom een testis-bepalende factor ligt is het voordelig om geen uitwisseling meer te hebben met het andere chromosoom om het mannelijk programma niet in gevaar te brengen. Het is voordelig om alle genen die nodig zijn om de mannelijke weg in te slaan in één samenhangend programma af te wikkelen. Maar juist omdat de uitwisseling tussen Y en X gestopt is, worden foutjes in de andere genen op het Y-chromosoom niet meer gerepareerd en daarmee degradeert het chromosoom; het wordt steeds kleiner. Maar één ding doet het wel: het mannelijk programma aanzetten.

De doorgaande lijn van vader op zoon is terug te trekken naar de oorsprong van de mens. Ook in de eerste groep wezens die zich mens mocht noemen leefde een man met een Y-chromosoom waarin wel mutaties zijn opgetreden maar dat verder identiek is aan dat van mijn vader, mijzelf, mijn zoon en mijn kleinzoon. U zult het misschien raar vinden, maar ik vind dat een troostrijke gedachte. Jan, ik dank je voor alles wat ik van je kreeg, in het bijzonder voor je Y-chromosoom. In paradisum deducant te angeli.

Facebook Comments