In het dagelijks spraakgebruik is het gewoon geworden om te spreken van het “DNA” van een bedrijf, of het “DNA” van een vereniging, waarmee zoiets bedoeld wordt als de “bedrijfscultuur” of de “essentie”. Dat geeft aan dat veel mensen denken dat als je het DNA kent je ook het bedrijf kent. Maar dat is niet zo. Vaak deed ik bij een lezing het volgende gedachtenexperiment.

Stel dat we vanuit de ruimte een signaal krijgen van een of ander buitenaards wezen dat ons de code van zijn erfelijk materiaal stuurt, zijn DNA. Dat DNA bestaat uit een lange reeks van vier verschillende onderdelen, als een kralensnoer met vier verschillende kralen. En stel dat het buitenaardse wezen dezelfde genetische code gebruikt als wij, dat wil zeggen dat dezelfde opeenvolging van kralen codeert voor dezelfde bouwstenen van een eiwit als bij ons. Dan zou je toch denken dat je die code kunt aflezen en erachter kunt komen hoe het buitenaardse wezen eruitziet. Heeft het poten en hoeveel? Waar zitten de ogen, kan hij horen of ruiken, zijn er mannen en vrouwen, zijn ze tweeslachtig of seksloos? Hoe zit hun sociale systeem in elkaar, kunnen ze tekeningen maken of muziek? Maar deze vragen zijn niet een-twee-drie te beantwoorden. Biologen noemen dit probleem “het beest in het genoom”. Het beest zit er wel, maar om van tevoren te voorspellen hoe het beest eruitziet is haast onmogelijk. Voor een beest op aarde kun je kijken naar wat hier rondloopt. Als het vreemde DNA erg op dat van een muis lijkt zal het beest er wel als muis uitzien. Maar voor een buitenaards wezen werkt dat niet.

De enige manier om erachter te komen is om het DNA in een cel te stoppen en zijn werk te laten doen. Je laat de code lopen, dat wil zeggen je laat het DNA eiwitten maken die op een ingewikkelde manier met elkaar gaan samenwerken. In feite geven we daarmee toe dat we het beest alleen kennen als we het kunnen maken. Het is hetzelfde als bij een extreem ingewikkeld recept van een gerecht met bijvoorbeeld 20.000 ingrediënten. Het recept geeft precies aan wat je moet doen om het gerecht te maken. Als je bij het begin begint en je werkt stug door komt er uiteindelijk iets eetbaars uit. Maar hoe het smaakt, of het lekker is en of je er een lepel of een vork bij nodig hebt, dat kun je niet aan het recept aflezen, dat blijkt pas aan tafel, nadat je het gemaakt hebt.

Het publiek van mijn lezing reageert meestal met verbazing op dit verhaal. Hoe is het mogelijk dat biologen wel het genoom kennen maar niet weten waar het beest in het genoom zit? Wat is dat voor wetenschap? Het is ook een filosofisch probleem. Wanneer ken je iets? Ken je een IKEA-kast als je alleen de montagehandleiding en de onderdelen hebt? Of ken je de kast pas als hij voor je staat?

Er zijn natuurlijk een aantal dingen die je wel direct uit het DNA kunt afleiden. Eenvoudige kenmerken zoals huidskleur en oogkleur zijn waarschijnlijk wel te achterhalen. Wat hier een rode kleur geeft zal bij het buitenaardse wezen ook wel een rode kleur geven. Maar of zijn haar, zijn ogen of zijn klauwen rood zijn, dat is al veel moeilijker.

Hetzelfde probleem doet zich voor bij de reconstructie van onze voorouders. Intussen hebben we van heel veel fossielen DNA kunnen uitlezen. Van sommige fossiele mensen hebben we wel het hele DNA maar van het skelet alleen een paar kiezen, een onderkaak en wat botfragmenten. We weten niet hoe ze eruitzagen. Valt dat af te leiden uit het DNA? Dat is haast onmogelijk.

Nu terug naar het bedrijfsleven. Als een directeur van een bedrijf zegt dat samenwerking in het “DNA” van het bedrijf zit, moet hij laten zien dat het ook zo werkt. Alleen je beroepen op het DNA is niet genoeg. Je moet het DNA laten werken om te begrijpen waar het voor codeert.

Facebook Comments