Buurvrouw zat lekker onder de boom in de schaduw (u weet sinds vorige week welke boom). Ze had het warm en dat is een gevolg van het feit dat ze net als alle mensen warmbloedig is. Warmbloedige dieren reguleren hun lichaamstemperatuur binnen heel nauwe marges. De temperatuur zal en moet 37 graden blijven. Dat heeft voordelen, maar ook nadelen. Een paar graden afwijking is gelijk al een probleem. Bij drie graden boven normaal (veertig graden) heb je al koorts en nog een paar graden erbij en je bent in levensgevaar. Bij de geringste afwijking komt het lichaam met tegenmaatregelen die uit alle macht proberen de temperatuur weer terug te brengen naar 37 graden.

Interessant is dat we tegen een dreigende verlaging van de lichaamstemperatuur veel betere maatregelen hebben dan tegen een dreigende verhoging. Bij een lage buitentemperatuur zetten we de kachel van ons lichaam ietsje harder zodat we meer warmte produceren en de temperatuur op 37 graden blijft. Daar is wel een grens aan, maar die ligt vrij laag. Een naakte mens kan zelfs bij een buitentemperatuur van 10 graden Celsius, dus 27 graden onder de lichaamstemperatuur, nog in leven blijven door de stofwisseling maximaal op te stoken. Maar bij 27 graden boven de lichaamstemperatuur, bij 64 graden, houd je het niet lang vol. De belangrijkste methode om af te koelen is zweten, maar dat heeft zijn beperkingen.

Hoe zit het dan met dieren die altijd in de hitte leven? Ik denk bijvoorbeeld aan een kameel, ik moet eigenlijk zeggen, dromedaris, in de woestijn. Ook bij deze dieren zit er een grens aan het zweten, want dat kost veel water en als er aan één ding gebrek is in de woestijn is het water. Een kameel zou wel gek zijn om zijn water te laten verdampen; hij probeert zijn water juist te bewaren en is goed bestand tegen uitdroging. Veel mensen denken dat ze hun bult gebruiken als watervoorraad (door het daarin opgeslagen vet langzaam af te breken), maar die mythe is al in 1964 door de Noors-Amerikaanse bioloog Knut Schmidt-Nielsen om zeep geholpen: die bult kost eerder water dan dat hij oplevert. De truc van de kameel is juist om zo weinig mogelijk water te laten verdampen, dus niet te zweten.

Dat vergroot natuurlijk het probleem voor de warmtehuishouding maar daar heeft de kameel een heel simpele maar ingenieuze oplossing voor: hij laat ’s-nachts zijn lichaamstemperatuur dalen tot 34 graden. Omdat een kameel een groot beest is met een grote warmtecapaciteit duurt het dan overdag een hele tijd voordat hij begint op te warmen. Hij kan vervolgens zijn lichaamstemperatuur tot 40 graden laten oplopen zonder er last van te hebben. Biologen hebben uitgerekend dat het minstens drie liter zweet zou kosten om dat te verhinderen. Maar de kameel probeert het niet te verhinderen, hij slaat de warmte gewoon op in zijn lichaam en ’s-nachts raakt hij het weer kwijt. Hij laat zijn lichaamstemperatuur dus over een traject van zes graden variëren, een gecontroleerde temperatuurcyclus zoals biologen het noemen.

Voor ons is dat niet mogelijk, maar wij kunnen wel de kamelenmethode toepassen in ons gedrag. Ik zei tegen mijn buurvrouw onder de boom: “Laat de warmte over je heen komen; dat moet je niet erg vinden. Het belangrijkste is dat je ’s-avonds en ‘s-nachts weer afkoelt. Overdag, zolang het buiten warmer is dan binnen, houd je alles dicht, maar ’s-avonds, zodra de buitentemperatuur gedaald is onder de binnentemperatuur, zet je alles open, vooral tegen de ochtend is dat belangrijk, want dan is het buiten het koelst. Door deze cyclus houd je het vervolgens de hele dag uit. Leer van de kamelen.” Het zijn sowieso zulke coole beesten en als je daar meer over wilt weten, lees het boek van ex-VU-bioloog Arita Baaijens “Een regen van eeuwig vuur”, over haar trektochten met kamelen door de Egyptische woestijn. Fascinerend wat je mee kunt maken met die beesten.

Facebook Comments