Dat er evenveel vrouwen als mannen op de wereld zijn is zo’n allergewoonst verschijnsel dat niemand zich er druk om maakt, maar uw bioloog natuurlijk wel, zeker als hem gevraagd wordt hoe dat eigenlijk zit, door RTL vorige week.

De eerste vraag is altijd waarom er niet meer mannen op aarde zijn. Een man kan gemakkelijk meerdere vrouwen bevruchten, in theorie wel honderden tijdens zijn leven. Als je tien mensen naar een onbewoond eiland stuurt om daar zo snel mogelijk een populatie op te bouwen zou je er goed aan doen om één man en negen vrouwen te sturen. Maar toch is de sekseverhouding in alle menselijke bevolkingen vrijwel één. Hoe komt dat?

Het is een klassieke vraag in de evolutiebiologie, die al rond 1930 beantwoord werd door de Amerikaanse geneticus Ronald Fisher. Stel dat er in een bevolking meer vrouwen dan mannen zijn. In zo’n situatie krijgen de mannen gemiddeld meer kinderen dan de vrouwen want je hebt nu eenmaal één man en één vrouw nodig om een kind ter wereld te brengen. Als een moeder de geslachtsverhouding van haar kroost een klein beetje kan beïnvloeden, doet ze er in zo’n geval goed aan om zonen te krijgen. Een vrouw krijgt meer kleinkinderen als ze investeert in het geslacht dat in de minderheid is. Daardoor zal het aantal mannen weer toenemen. Uiteindelijk kom je altijd uit op een gelijke verhouding.

Maar natuurlijk zijn er afwijkingen en die zijn juist interessant. RTL rapporteerde gegevens van het CBS over de geslachtsverhouding bij geboorte in de verschillende gemeentes van Nederland. Het gemiddelde voor heel Nederland is 51,2% jongens; er worden meer jongens geboren dan meisjes. Dat trekt later bij want de sterftekans voor mannelijke adolescenten is hoger dan voor vrouwelijke vanwege het roekeloze gedrag van jonge mannen. Maar interessant zijn de geografische verschillen. In de gemeente waarin ik geboren ben, Koggenland, worden ten opzichte van het landelijk gemiddelde minder jongens geboren (50,4%), maar Leiden zit boven het gemiddelde (51,4%). U ziet, de verschillen zijn klein, maar door de grote aantallen, genomen over meerdere jaren, zijn ze wel aantoonbaar.

Waardoor ontstaan afwijkingen van de evenwichtsverhouding die voorspeld werd door Ronald Fisher? Daar heeft een andere Amerikaanse evolutiebioloog iets over gezegd, namelijk Robert Trivers, in 1973. Hij stelde dat het in slechte tijden loont om meer meisjes te krijgen en in goede tijden meer jongens. Namelijk, bij de mannen zijn er altijd een aantal die geen kinderen krijgen terwijl er ook zijn die veel kinderen krijgen (bij meerdere vrouwen). In goede tijden, als de moeder goed gevoed is en sterke zoons krijgt, zullen die zoons behoren bij de mannen die veel kinderen krijgen. Maar als de moeder in slechte conditie is zullen haar zoons dat ook zijn en omdat slechte zoons minder kinderen krijgen kan ze in zo’n geval beter dochters krijgen.

Dit soort redeneringen moet je altijd drie keer lezen voordat je het snapt, dus ik vraag wel wat van u.

Het voordeel van jongens in goede tijden wordt ook wel aangevoerd als verklaring waarom het relatieve aantal jongensgeboorten is gestegen in de periode van 1750 tot 1920. Dit bleek uit een veel geciteerde Finse studie, gepubliceerd in 1999. Maar na 1920 zette een daling in, behoudens pieken na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Deze langjarige trend (steeds meer meisjesgeboortes sinds 1950) duurt voort tot in de huidige tijd. Waarom is niet duidelijk. Er zijn wellicht ook andere factoren in het spel. Het blijkt dat eerstgeborenen iets vaker jongens zijn en dat een groot leeftijdsverschil tussen de vader en de moeder het krijgen van jongens in de hand werkt, evenals een hoge coïtusfrequentie. Maar deze factoren verklaren de trend niet.

Dus je kunt er alle kanten mee op. RTL Nieuws maakte er een mooi kort verhaaltje van maar de bioloog bleef achter met een hoop vragen.

Facebook Comments