Het nut van het tepelvormig uitsteeksel

Mijn nieuwe bril zal een beetje te strak. Ik kreeg er hoofdpijn van en ging naar de opticien die hem aangemeten had. Bij het passen hoorde ik hem mompelen “ja, je processus mastoideus”. Hij wist natuurlijk niet dat ik hem begreep. De Nederlandse naam voor processus mastoideus is “tepelvormig uitsteeksel”. Het is een onderdeel van de schedel, een uitloper van het slaapbeen, dat als een driehoek naar beneden steekt, vlak achter het oor. Dat onderdeel komt ook voor in mijn boek over het menselijk lichaam, in hoofdstuk 40 over de schedel, vandaar dat ik het wist. Het staat bekend als een vrij betrouwbare indicator voor het verschil tussen man en vrouw. Aan het tepelvormig uitsteeksel hechten de nekspieren en die zijn bij mannen groter dan bij vrouwen, vandaar dat het uitsteeksel ook groter is. Dat kun je gebruiken om van oude schedels of fossielen vast te stellen of het een man of een vrouw geweest is.

Dat de opticien erover begon komt doordat het uiteinde van het brillenpootje tegen de processus mastoideus ligt. Je zou kunnen zeggen dat het tepelvormig uitsteeksel bij uitstek dient om steun te geven aan een brillenpoot, naast het oor dat de brillenpoot omhooghoudt. Op dezelfde manier vertelde dokter Pangloss aan de kleine Candide, in het beroemde verhaal van Voltaire: “Het is aangetoond dat de dingen niet anders kunnen zijn dan ze zijn, want alles is gemaakt met een doel, alles is noodzakelijk voor het beste doel. Merk op dat neuzen gemaakt zijn om brillen te dragen; daarom hebben we brillen.” Ik voeg daaraan toe dat hetzelfde geldt voor het tepelvormig uitsteeksel. Het dient om de pootjes van de bril op te vangen.

Uiteraard bedoelde Voltaire dit alles satirisch; hij wilde de filosofie belachelijk maken dat alles in de natuur een doel heeft. Toch is de fout van dokter Pangloss een veel voorkomend euvel in de evolutiebiologie. De bekende Amerikaanse evolutiebioloog Stephen J. Gould heeft hier meerdere malen op gewezen: niet alles in de natuur heeft nut. Niet alle organen van het menselijk lichaam zijn te zien als een aanpassing aan iets. Er zijn heel wat onderdelen van het lichaam die zelfs behoorlijk onhandig zijn, maar niet zo onhandig dat ze door natuurlijke selectie verdwijnen. Denk bijvoorbeeld aan de plasbuis die door de prostaat loopt, het bloedverlies bij de menstruatie, de balzak die buiten het lichaam bungelt, het bekken dat maar net breed genoeg is om een baby door te laten, het lage strottenhoofd waardoor we ons gemakkelijk verslikken, enzovoorts. Dat die onderdelen zijn zoals ze zijn komt door hun evolutie in het verleden, niet omdat ze zo nuttig zijn in het heden. Zoek niet naar een voordeel dat er niet hoeft te zijn, maar kijk hoe het orgaan ontstaan is, zegt Gould.

Het standpunt van Gould bracht hem in conflict met de Engelse evolutiebioloog Richard Dawkins. Dawkins is een fervent aanhanger van de evolutietheorie die Charles Darwin in 1859 beschreef in zijn boek over het ontstaan van soorten. Maar sindsdien is de evolutietheorie behoorlijk geëvolueerd, vooral door modern DNA-onderzoek. Dawkins is met zijn nadruk op aanpassing als het enige principe in de evolutie blijven hangen in de negentiende eeuw.

Pangloss gaat nog een tijdje door met zijn lessen aan Candide: onze voeten zijn overduidelijk gemaakt om schoenen te dragen, daarom hebben we schoenen; stenen zijn gemaakt om mee te werpen en om kastelen mee te bouwen, daarom heeft onze landheer zo’n mooi kasteel; varkens zijn gemaakt op opgegeten te worden, daarom eten we het hele jaar door varkensvlees; toen er een aardbeving was in Lissabon, was hij niet ergens anders, want het is onmogelijk dat de dingen zijn op een plek waar ze niet zijn, want alles is voor het beste. Hiermee verwijst Voltaire naar de aardbeving van Lissabon in 1755, waarbij meer dan 30.000 mensen omkwamen.

De onnavolgbare logica van Pangloss, toegepast op het tepelvormig uitsteeksel, hielp me wel van mijn hoofdpijn af.