Onder biologen is diversiteit een kernbegrip. Biodiversiteit staat op de kaart sinds de Rio-conferentie van 1993 en het daaropvolgende wereldwijde verdrag tot bescherming van de biodiversiteit. Voor biologen gaat het om drie dingen: Ten eerste de soortenrijkdom in een bepaald gebied (hoeveel verschillende zoogdieren, orchideeën, kevers, paddenstoelen, enz. komen er voor?). Ten tweede de genetische variatie binnen een soort (is er bij zeldzame soorten, bijvoorbeeld het jachtluipaard, nog sprake van een gezonde populatie of is er teveel inteelt?). En ten derde de verscheidenheid aan ecosystemen (is het allemaal één uitgestrekte grasvlakte of zien we een afwisseling van heggen, bosjes en open plekken in het landschap?). Deze drie dingen hebben natuurlijk met elkaar te maken want in een divers landschap leven meer soorten die elk een genetisch gezonde populatie kunnen opbouwen. Alles bij elkaar genomen is biodiversiteit een nogal technisch begrip, maar voor biologen heel belangrijk. Waarom eigenlijk?

 

Diversiteit is een garantie voor stabiliteit. Een ecosysteem (bos, meer, moeras, heide) is beter bestand tegen verstoringen naarmate er meer soorten in leven. Het gaat dan vooral om soorten die min of meer hetzelfde doen en elkaars functie kunnen overnemen. Als er één soort wegvalt loopt de functie geen gevaar. Bij functies moet je bijvoorbeeld denken aan productiviteit, afbraak van organisch materiaal, doorluchting van de bodem, vrijkomen van voedingsstoffen, bestuiving van bloemplanten, opeten van plaaginsecten, verspreiden van zaad, enzovoorts). Als zo’n functie maar van één soort afhangt is dat een kwetsbare situatie. Je hoeft alleen maar te denken aan een veld waar maar één plant in groeit, zoals een akker. Een monocultuur is kwetsbaar voor verstoring omdat alle planten hetzelfde zijn. Met kunst en vliegwerk (wieden, bespuiting, plaagbestrijding) moet zo’n systeem in evenwicht gehouden worden.

 

Uit talloze ecologische onderzoeken blijkt een verband tussen diversiteit en stabiliteit. Dat kan door vergelijking van diverse en minder diverse ecosystemen, maar het wordt ook experimenteel aangepakt, bijvoorbeeld door het inzaaien van proefvelden met verschillende aantallen plantensoorten. De relatie is vooral duidelijk bij lage soortendiversiteit. Elke soort erbij geeft dan een verbetering van de productiviteit, minder fluctuaties en een betere weerstand tegen ziektes. Maar op een gegeven moment voegt de zoveelste soort niet veel meer toe omdat alle functies die het systeem nodig heeft al voldoende afgedekt zijn. Men spreekt dan van functionele redundantie. De curve die de systeemfunctie beschrijft in relatie tot het aantal soorten vlakt af en bereikt een plateau.

 

Eigenlijk moet je in die situaties niet kijken naar de diversiteit van soorten, maar naar de diversiteit van functionele groepen. Hoeveel insecten er rondvliegen is op zich niet belangrijk, het gaat erom dat de bestuivingsfunctie en alle andere functies die insecten vervullen, voldoende afgedekt zijn. Het probleem is alleen dat van veel soorten de functie niet bekend is. Daarom houden biologen toch over het algemeen de soortendiversiteit als criterium aan.

 

Omgekeerd is het ook zo dat in een systeem met veel functionele redundantie het verlies van een soort niet onmiddellijk merkbaar is als een verminderde functie van het systeem. Met name voor zeldzame soorten geldt dat de bijdrage aan functies van het systeem vaak onduidelijk is. Juist doordat ze zeldzaam zijn hebben ze weinig invloed. Daarom is wel eens gezegd dat zeldzame soorten vanuit functioneel oogpunt gemist kunnen worden (het “plastic panda”-argument van Bas Haring). Maar uiteraard zijn er andere redenen om zeldzame soorten juist wel te beschermen.

 

Over de rol van genetische variatie is nog minder bekend dan over de soortendiversiteit. Door de enorme fragmentatie van het landschap, met onoverbrugbare barrières tussen natuurgebieden (met name snelwegen) zijn veel soorten teruggeworpen op kleine gebieden waarin ze geen grote populatie kunnen opbouwen. In een kleine populatie kunnen dieren moeilijker een geschikte partner vinden; ze zijn niet meer als groep beschermd tegen roofdieren en de kans dat ze zonder nakomelingen blijven wordt groter. Dit effect treedt op bij veel zoogdieren in kleine natuurgebieden. Op een gegeven moment wordt de genetische variatie zo klein dat de populatie alleen nog maar achteruit kan gaan en uiteindelijk uitsterft. Men spreekt van genetische erosie. Dat is ook gebeurd met onze zustersoort, de neanderthaler en het is het lot van veel grote zoogdieren in de huidige tijd, het Antropoceen.

 

Hoeveel genetische variatie een soort moet hebben voor een levensvatbare populatie is moeilijk in zijn algemeenheid te zeggen. Sommige soorten lijken weinig last te hebben van inteelt. Zo is bijvoorbeeld de hele wolvenpopulatie van Scandinavië (ongeveer 400 dieren) afkomstig van één paartje dat in 1980 vanuit het Kola-schiereiland naar Noorwegen trok; later voegde zich daar nog een zwervend mannetje bij. De wolven van Scandinavië zijn genetisch vrijwel identiek aan elkaar, maar de populatie zelf bloeit en groeit en moet door bejaging op een bepaald niveau gehouden worden. Waarom sommige soorten (inclusief de mens) wel ziektes en afwijkingen krijgen door inteelt en andere soorten niet is een raadsel.

 

De relatie tussen diversiteit en stabiliteit is in versimpelde vorm heel duidelijk (meer diversiteit geeft meer stabiliteit en meer garanties op het behoud van cruciale functies in de toekomst), maar bij nadere beschouwing erg ingewikkeld (ja maar, door functionele redundantie hebben we niet alle soorten nodig en veel populaties kunnen leven met weinig genetische variatie). Het is een debat dat in de wetenschap nog wel een tijdje door zal gaan. Maar natuurbescherming is niet alleen gebaseerd op nutsargumenten.

 

De Amerikaanse ecoloog E.O. Wilson kwam met een heel ander argument. In elke mens zit een natuurlijke neiging om te houden van andere organismen (biofilie). Deze liefde is ongeveer evenredig met de evolutionaire afstand tussen ons en het dier. We voelen meer voor een ijsbeer dan voor een pissebed, hoewel een pissebed in de natuur waarschijnlijk een belangrijkere ecologische rol vervult. Zelf ben ik verkikkerd op een mijt van ongeveer 1 mm groot die leeft in de bodem. Het is zo’n schattig beestje, maar ik weet zeker dat u haar (het zijn allemaal vrouwtjes) nog nooit gezien heeft en zelfs moeite heeft met het uitspreken van haar naam. Of ze een functie heeft in de bodem, daar hangt mijn liefde niet van af. De biofilie, het houden van een diverse natuur omdat die mooi is en ons aanspreekt, biedt de beste garantie voor een effectieve natuurbescherming.

Facebook Comments