Op mijn afscheidscollege vorige week vrijdag waren veel mensen afgekomen. Vanaf het podium schatte ik het publiek in de Aula van de universiteit op zo’n 500 mensen. Bij de receptie vormde zich een gigantische rij. Van te voren was ik als de dood dat er mensen bij zouden zijn die ik niet direct zou herkennen of die ik met de verkeerde naam zou aanspreken. “Hallo Wim, leuk dat je er bent”, terwijl hij Jos heet, enzovoorts. Je kunt je allerlei pijnlijke situaties voorstellen. Maar wonder boven wonder heb ik geen fouten gemaakt. Van alle mensen die me een hand gaven wist ik wie het waren en hoe ze heetten, al heb ik in één geval de voor- en achternaam door de war gegooid.

Mijn ervaring is in tegenspraak met het zogenaamde getal van Dunbar. In 1990 heeft de Engelse antropoloog Robin Dunbar voorgesteld dat het aantal mensen dat je kunt kennen tussen 100 en 200 ligt, gemiddeld 150. Zijn conclusie was gebaseerd op de grootte van de hersenen van apen. Apen leven in groepen omdat je daarmee veiliger bent voor roofdieren. Hoe groter de kans om aangevallen te worden door een roofdier, des te groter is de groep.

Maar er zit ook een maximum aan de groepsgrootte. Het individueel kunnen herkennen van alle leden van de groep en het onderhouden van relaties met soortgenoten doet een groot beroep op de hersencapaciteit. “Is zij vriendelijk of is het juist een kreng? Toen ik haar vlooide, heeft ze toen de volgende dag mij gevlooid of deed ze alsof ze mij niet kende? En hielp ze mee, laatst toen we de hyena’s wegjoegen?” Om dit soort dingen te onthouden moet de neocortex, het hersengedeelte waarmee we nadenken, een zekere omvang hebben. Uit het onderzoek van Dunbar kwam een sterk positief verband: hoe groter de hersenen van een aap des te groter de groepen waarin hij kan leven. Dit doortrekkend naar de mens kwam Dunbar uit op 148, afgerond 150.

Er is ook onderzoek gedaan door mensen te vragen: hoeveel mensen ken je die Karin heten? Het resultaat vermenigvuldig je met de frequentie waarmee de naam Karin voorkomt in de bevolking. Als je dit doet voor een aantal namen krijg je ongeveer hetzelfde resultaat als Dunbar: tussen 100 en 200.

Het getal van Dunbar wordt ook vaak aangehouden als het gaat om de vraag hoe groot de groepen waren waarin de mens leefde op de Afrikaanse savanne gedurende zijn evolutie vanaf 200.000 jaar geleden. De suggestie is dan dat mensen niet kunnen omgaan met groepen groter dan 150 personen, omdat onze hersenen daarvoor niet geëvolueerd zijn.

Maar klopt het? Ik heb op Facebook op dit moment 591 vrienden en op LinkedIn 984. Nu zitten daar een hoop vrienden bij die ik eigenlijk alleen van naam ken. Mijn positie als docent brengt met zich mee dat een hoop studenten mij kennen. Ze maken graag gebruik van mijn netwerk en willen daarom vriend met mij zijn. Die vallen niet allemaal onder de definitie van Dunbar, namelijk dat je iemand pas kent als je niet in verlegenheid gebracht wordt als zo iemand je bij een toevallige ontmoeting in het café een drankje aanbiedt.

Maar toch, na de ervaring bij de afscheidsreceptie kom ik eerder uit op 500 dan op 150 mensen die ik kan kennen. Of ben ik te oppervlakkig, d.w.z. noem ik mensen te snel mijn vriend? Maar ik ben eenmaal een allemans vriend.

Ik voeg er nog even aan toe dat u niet bang moet zijn dat ik na mijn “afscheid” onderduik. Ik blijf nog zeker een jaar of vijf aan de universiteit verbonden als gastmedewerker, met de mooie officiële status “emeritus”. En ik blijf u wekelijks bestoken met columns, zolang de krant mij tolereert.

Facebook Comments